De ‘schriftelijke’ vordering tot verbeurdverklaring: een gewaarschuwd advocaat blijft er twee waard… (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Auteurs: Patrick Waeterinckx en Joris Lambrechts (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Publicatiedatum: 07/09/2019

Sinds de Potpourri-II hervorming van 2016, zijn penalisten bekend(er) geraakt met het fenomeen van ‘conclusietermijnen’. Daar waar in strafzaken vroeger conclusies werden neergelegd op de zitting (wat evident voor het nodige uitstel en vertragingen zorgde), is dit sindsdien niet (noodzakelijk) meer het geval. Art. 152 Wetboek van Strafvordering werd gewijzigd in die zin dat de strafrechter voortaan conclusietermijnen kan opleggen. Gaandeweg ontstonden daarbij diverse rechtsvragen, waaronder de vraag of de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen binnen de vooropgestelde conclusietermijnen moet worden neergelegd (art. 43bis Strafwetboek).

Bij invoering van de dwingende conclusietermijnen in strafzaken, was bepaalde rechtsleer van mening dat het openbaar ministerie zich wat betreft de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring naar de nieuwe regeling diende te schikken. Volgens die stelling moest de vordering en bonne et due forme worden opgesteld en binnen de conclusietermijn voor het openbaar ministerie ter griffie worden neergelegd en meegedeeld worden aan partijen.

Het Hof van Cassatie zag dat anders en oordeelde daarover een eerste maal in een arrest van 29 januari 2019 (P.18.0422.N). Die rechtspraak herhaalde het Hof op 28 mei jl. (P.19.0113.N).

In de zaak die aanleiding gaf tot dit laatste arrest had de eerste rechter de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring uit de debatten geweerd omdat zij niet was neergelegd binnen de opgelegde conclusietermijn. Voor het hof van beroep (dat geen conclusietermijnen oplegde) had het openbaar ministerie diezelfde vordering, die zich al fysiek in het dossier bevond, hernomen. Die vordering werd door hof van beroep ook zonder enig probleem aanvaard in het debat.

Tegen dit oordeel tekende de beklaagde cassatieberoep aan, maar hij werd niet gevolgd door het Hof.
Het Hof van Cassatie benadrukte dat:

  • een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring kan genomen worden in elke stand van het geding;
  • desnoods een mondelinge vordering door de griffier schriftelijk kan worden geacteerd op het op het proces-verbaal van de terechtzitting;
  • het openbaar ministerie een door de eerste rechter geweerde mondelinge vordering in hoger beroep kan hernemen, maar
  • de beklaagde zich wel effectief moet kunnen verweren waarvoor hem desgevallend een uitstel moet worden verleend.

Het staat bijgevolg aan de verdediging om alert te zijn en erover te waken dat de rechten van verdediging van de cliënt worden gevrijwaard. Dit kan door ervoor te zorgen dat de mondelinge vordering tot verbeurdverklaring wordt geacteerd en te verzoeken om een uitstel als dit nodig is om zich effectief te kunnen verweren op de vordering. Een weigering van dergelijk uitstel zou strijdig zijn met art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het algemeen rechtsbeginsel van het recht op verdediging.

Lees hier het originele artikel