Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker ons jaarabonnement
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen
Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)
Webinar op vrijdag 27 maart 2026
Boek 7 BW.
Een praktische checklist voor ondernemingen
Prof. dr. Thijs Tanghe en mr. Tijl Eggers (Eubelius)
Webinar op donderdag 2 juli 2026
Buitencontractuele aansprakelijkheidsregelingen:
een kritische benadering na de
invoering van Boek 6 BW
Prof. dr. Britt Weyts (UAntwerpen)
Webinar op vrijdag 5 juni 2026
Bewijzen of akkoorden moeten duidelijk zijn, anders kunnen ze de rechter niet binden. Cassatie 7 maart 2025 (Recht op zaterdag)
De feiten en de visie van het hof van beroep te Antwerpen van 2 mei 2023
In het kader van een echtscheidingsprocedure vorderen beide partijen de preferentiële toewijzing van de gezinswoning, maar ze hebben in hun huwelijkscontract enerzijds de regels van het wettelijk stelsel van toepassing hebben gemaakt op het TIGV in het algemeen enn met betrekking tot de gezinswoning uitdrukkelijk bepaald dat er geen voorkeur, voorkoop of recht van terugname bestaat en hebben ze hiermee zodoende de mogelijkheid om de preferentiële toewijzing te vorderen uitgesloten.
De man stelt dat de vrouw akkoord zou zijn gegaan met het feit dat hij de woning zou overnemen en verwijst daaromtrent naar zijn stukken 13 en 17. Uit het motiverend gedeelte van haar conclusie blijkt dat de vrouw de wering van deze stukken vraagt, maar er is geen grond om deze stukken uit de debatten te weren. Het gebruik van een onrechtmatig verkregen bewijs kan slechts worden geweerd, behoudens uitdrukkelijke andersluidende bepaling van de wet, indien het verkrijgen van dit bewijs de betrouwbaarheid ervan aantast of het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt.
Zelfs indien zou kunnen worden aangenomen dat deze stukken onrechtmatig werden verkregen (welke bewijs de vrouw niet voorbrengt, evenmin dat er sprake is van enige schending van een beroepsgeheim) dan nog wordt de betrouwbaarheid niet aangetast (de vrouw betwist niet dat de geschriften van haar afkomstig zijn), noch blijkt dat hierdoor het recht op een eerlijk proces in het gedrang wordt gebracht. Uit deze stukken blijkt echter geenszins het door de man beweerde akkoord van de vrouw tot overname van de gezinswoning door hem.
Stuk 13 betreft een niet gedateerd handgeschreven document waaruit hooguit enkele persoonlijke bedenkingen en problematieken in hoofde van de vrouw kunnen worden afgeleid, doch geenszins enig akkoord met enige overname (evenzeer om reden van een gebrek aan enige dagtekening zodat alleszins niet blijkt wanneer dit door de vrouw op papier werd gezet en nog minder in welke context en met welke intentie).
Stuk 17 betreft een schrijven gedateerd op 2 februari 2017, derhalve meer dan een jaar voor de ontbinding van het stelsel, zodat reeds om die reden hieruit niet het door de man voorgehouden akkoord kan worden aangenomen. Evenmin blijkt dit voorgehouden akkoord uit enig ander voorliggend stuk. Bij gebreke aan enig akkoord tussen partijen omtrent een overname door de éne of de andere partij dient de notaris-vereffenaar zodoende te handelen overeenkomstig artikel 1224 van het Gerechtelijk Wetboek.
De visie van het Hof van Cassatie
De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die erop van toepassing zijn. Hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.
Gelet op het algemeen rechtsbeginsel houdende de partijautonomie in het civiele geding kunnen procespartijen door middel van een procedureakkoord over een punt in feite of in rechte het debat beperken en zodoende de rechter binden.
Dergelijk procedureakkoord moet niet uitdrukkelijk maar wel zeker zijn.
Een procedureakkoord kan voortvloeien uit gelijkluidende conclusies van de partijen, voor zover zij doelbewust een bepaalde betwisting uitsluiten. Het kan daarentegen niet voortvloeien uit een louter gebrek aan betwisting.
De appelrechter die te kennen geeft dat, niettegenstaande beide partijen de preferentiële toewijzing van de gezinswoning vorderen, geen procedureakkoord voorligt tot toepassing van de wetsbepalingen aangaande de preferentiële toewijzing van die woning en vervolgens oordeelt dat bij gebrek aan akkoord tot overname door de ene of de andere partij tot notariële verkoop van de woning moet worden overgegaan, verantwoordt zijn beslissing naar recht.
Lees hier het arrest van het Hof van Cassatie van 7 maart 2025
» Bekijk alle artikels: Geschillen & Procedure













