Het nieuwe Boek 6 en de impact inzake verzekeringen:
een analyse aan de hand van 10 knelpunten

Mr. Sandra Lodewijckx en mr. Pieter-Jan Van Mierlo (Lydian)

Webinar op vrijdag 26 april 2024


Aandachtspunten bij het opstellen
en analyseren van ICT-contracten

Mr. Lynn Pype en mr. Liesa Boghaert (Timelex)

Webinar op donderdag 16 mei 2024


Ondernemingsstrafrecht:
wat wijzigt er door boek I en boek II van het Strafwetboek?

Mr. Stijn De Meulenaer (Everest)

Webinar op dinsdag 11 juni 2024


Het nieuwe Boek 6 en de impact
voor de bouw- en vastgoedsector:
10 aandachtspunten

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 23 april 2024


Tewerkstelling van buitenlandse werknemers:
nakende ingrijpende wijzigingen

Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 25 april 2024


Aandeelhoudersovereenkomsten
in het licht van de nieuwe wetgeving

Mr. Michaël Heene (DLA Piper)

Webinar op vrijdag 31 mei 2024

Bewijs in beslag nemen via toegang tot de woning: een brug te ver? Cassatie spreekt zich uit (LegalNews)

Auteur: Marc Vandecasteele (LegalNews)

De feiten

X is een bedrijf dat gespecialiseerd in het ontwerp, de productie en de verkoop van landbouwmachines in de vlassector.

Y zijn respectievelijk een vennootschap met als doel de ontwikkeling, fabricage, aankoop, verkoop etc. van landbouwmachines, en de oprichter van deze vennootschap, die tot 2019 in dienst was bij X.

X meent Y zich schuldig maken aan oneerlijke concurrentie, door onder meer onrechtmatig gebruik te maken van interne kennis en documenten (productinformatie, technische tekeningen, prijs- en klantenlijsten etc.) die exclusief aan X zouden toebehoren.

Op 16 december 2020 heeft X een eenzijdig verzoekschrift neergelegd bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. Daarin werd, ten aanzien van Y en de heer V.T. (eveneens een 60 oud-werknemer van X) in toepassing van de artikelen 584, 871, 877, 878 en 1462 van het Gerechtelijk Wetboek, bij volstrekte noodzakelijkheid, in essentie gevorderd om:

  1. een gerechtsdeurwaarder aan te stellen als sekwester om zich te begeven naar het productieatelier en de maatschappelijke zetel van Y en de woonplaats van de oprichter van de vennootschap Y en de heer V.T.
  2. Y en de heer V.T. het bevel op te leggen bepaalde documenten over te leggen aan de gerechtsdeurwaarder/sekwester (artikel- en prijslijsten, materiaaltekeningen, mailverkeer met leveranciers, …);
  3. Y en de heer V.T. het bevel op te leggen om de gerechtsdeurwaarder toegang te verlenen tot voormelde locaties, en om voormelde stukken te overhandigen, en om hen het verbod op te leggen de werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder/sekwester te hinderen door bv. stukken weg te maken of niet te overleggen, steeds onder verbeurte van een dwangsom.
  4. te zeggen voor recht dat de gerechtsdeurwaarder/sekwester voor zoveel als nodig een beroep kan doen op een slotenmaker en/of de openbare macht.

Bij beschikking van 21 december 2020 werd deze vordering grotendeels gegrond verklaard, met den verstande dat voor recht werd gezegd dat de maatregelen van rechtswege zouden vervallen indien X geen procedure ten gronde zou hebben opgestart uiterlijk op de eerst beschikbare zitting van de bevoegde rechtbank na betekening van de beschikking.

Op 20 januari 2021 heeft X een vordering ten gronde ingesteld, doch enkel tegen Y.

Op 12 februari 2021 hebben Y en de heer V.T. derdenverzet ingesteld 90 tegen de beschikking van 21 december 2020. Bij beschikking in kort geding van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 19 oktober 2021, werd het derdenverzet toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond verklaard. In essentie werden punten 3 en 4 van voormelde vordering verworpen, nu de machtiging aan de sekwester tot toegang tot voormelde plaatsen en de voorziene dwangmiddelen prima facie onverenigbaar zijn met de onschendbaarheid van de woonst.
Op 20 december 2021 heeft Y hoger beroep ingesteld. X en de heer V.T. hebben incidenteel beroep ingesteld. In het bestreden arrest wordt het hoger beroep grotendeels gegrond verklaard; het incidenteel beroep wordt ongegrond verklaard. De door de voorzitter op eenzijdig verzoek bij beschikking d.d. 2020 opgelegde maatregelen worden bevestigd, behoudens waar deze betrekking hebben op de privéwoonst en privéwagen van de oprichter van vennootschap Y en de heer V.T., en met dien verstande dat ten aanzien van de heer V.T. wordt vastgesteld dat de beschikking d.d. 21 december 2020 is komen te vervallen bij gebrek aan tijdige dagvaarding ten gronde. X wordt in de kosten van beide instanties verwezen; Y wordt ten aanzien van de 110 heer V.T. in de kosten verwezen.

De motivering voor het Cassatie-beroep

Krachtens artikel 8 EVRM heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Krachtens artikel 15 van de Grondwet is de woning onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. De artikelen 1369bis/1 tot en met 1369bis/10 van het Gerechtelijk Wetboek vormen een dergelijke wettelijk voorziene en welafgebakende inmenging in het recht op eerbiediging van de woonst en het privéleven.

In toepassing van deze bepalingen kunnen immers de houders van intellectuele eigendomsrechten, met de toestemming van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, verkregen op verzoekschrift, door een of meerdere deskundigen die deze magistraat benoemt, overal laten overgaan tot de beschrijving van alle voorwerpen, elementen, documenten of werkwijzen die van aard zijn de beweerde namaak alsook de oorsprong, de bestemming en de omvang ervan aan te tonen. De voorzitter kan de deskundige machtigen alle maatregelen te nemen die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn opdracht binnen de grenzen ervan. Indien de deuren gesloten zijn of de toegang wordt geweigerd, handelt de gerechtsdeurwaarder overeenkomstig artikel 1504.

A contrario bestaat er buiten het afgebakende toepassingsgebied van de artikelen 1369bis/1 tot en met 1369bis/10 van het Gerechtelijk Wetboek géén wettelijke grondslag die de voorzitter toelaat om een zogenaamd ‘bewijsbeslag’ uit te spreken, waarbij met het oog op bewijsverkrijging wordt ingebroken in het privéleven en de woonst van een wederpartij.

De visie van het Hof van Cassatie

Op 4 januari 2024 oordeelde het Hof als volgt:

‘1. Krachtens artikel 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.

Krachtens artikel 584, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek wordt de zaak voor de voorzitter aanhangig gemaakt in kort geding of, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, bij verzoekschrift.
Het in voormelde bepaling bedoelde verzoekschrift is het eenzijdig verzoekschrift in de zin van de artikelen 1026 en volgende Gerechtelijk Wetboek.

2. Artikel 584, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek bevat een niet-limitatieve opsomming van de voorlopige maatregelen die de voorzitter kan nemen, waaronder het aanstellen van een sekwester.

3. Krachtens artikel 871 Gerechtelijk Wetboek kan de rechter aan iedere gedingvoerende partij bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit, over te leggen.

Artikel 877 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer er ernstige en bepaalde aanwijzingen bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

Artikel 878 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien een derde het stuk onder zich heeft, de rechter deze verzoekt om vooraf het origineel of een afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging te voegen op de wijze en binnen de termijn die hij bepaalt.

4. Artikel 1462 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in de gevallen waarin er grond bestaat om de eigendom, het bezit of het houden van een roerend goed terug te vorderen, hij die terugvordert dit goed, onverschillig in wiens handen het zich bevindt, met toelating van de rechter in beslag kan nemen.

5. Uit de samenhang van voormelde bepalingen volgt dat de voorzitter, op eenzijdig verzoekschrift, en met het oog op het veiligstellen van bewijsmateriaal, de overlegging aan een sekwester kan bevelen van welomschreven stukken die zich bij een partij of een derde bevinden, waarbij de voorzitter aan de sekwester desgevallend toelating kan verlenen om zich toegang te verschaffen tot de woning of bedrijfsruimte waar de stukken zich bevinden, en om deze stukken in bewaring te nemen.

6. Artikel 15 Grondwet bepaalt dat de woning onschendbaar is en dat geen huiszoeking kan plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.

7. Artikel 8.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover deze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Het begrip “wet” in de zin van artikel 8.2 EVRM moet worden begrepen in zijn materiële en niet in zijn formele betekenis. Als wet geldt de van kracht zijnde rechtsregel, zoals de interne rechtscolleges die interpreteren.

8. Uit het voorgaande volgt dat artikel 584 Gerechtelijk Wetboek, samen met de artikelen 871, 877 en 878 Gerechtelijk Wetboek en artikel 1462 Gerechtelijk Wetboek, de grondslag vormen voor een bewijsbeslag met toegang tot de woning, zodat voldaan is aan de voorwaarde uit artikel 15 Grondwet en artikel 8.2 EVRM dat de inmenging in het recht op eerbiediging en onschendbaarheid van de woning bij wet voorzien moet zijn.

Het middel dat geheel ervan uitgaat dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor een bewijsbeslag, faalt naar recht.’

Lees het Cassatie-arrest van 4 januari 2024

» Bekijk alle artikels: Geschillen & Procedure