>, Gerechtelijk recht, HR & recruitment>Advocaten-bedienden in België : No Way José? (LegalNews.be)

Advocaten-bedienden in België : No Way José? (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 30/07/2018

Mr. Rob Valkeneers (advocaat-vennoot Omnius Advocaten) licht toe.

In juni 2018 was ik op een fantastisch congres in Malaga met verschillende Europese collega-advocaten, die verbaasd waren om te vernemen dat in België alle advocaten zelfstandigen (moeten) zijn. In heel wat andere Europese landen kunnen advocaten immers ook worden tewerkgesteld als bedienden.

De discussie over het statuut van advocaten (zelfstandige/bediende) heeft in België bijna twintig jaar geleden heel wat stof doen opwaaien, maar de storm was inmiddels geluwd. Althans, dat dacht men. Het is waarschijnlijk (opnieuw) stilte voor de storm…

Bediende/zelfstandige

Een werknemer (arbeider of bediende) staat onder werkgeversgezag, een zelfstandige niet. In theorie is dit een duidelijk onderscheid, in de praktijk veel minder.

Belgische advocaten = zelfstandigen

In België zijn alle advocaten zelfstandigen, hoewel de wet dit zelfstandigenstatuut niet ondubbelzinnig dicteert. De regels in het Gerechtelijk Wetboek aangaande het beroep van advocaat, spreken wel van de “onafhankelijkheid” en “waardigheid” van het beroep en deze termen werden traditioneel opgevat als verwijzingen naar het zelfstandigenstatuut.

De deontologische regels waaraan de Vlaamse advocaten onderworpen zijn, schrijven echter wel uitdrukkelijk voor dat advocaten zelfstandig moeten zijn en verbieden dus een bediendestatuut.

De Orde van Franstalige en Duitstalige balies (OBFG) in België kent geen vergelijkbare deontologische plicht, omdat zij de mogelijkheid van een bediendestatuut niet categorisch wenst uit te sluiten.

De Saga: een geschil tussen (zelfstandige) advocaten onderling

Lange tijd werd het zelfstandigenstatuut van advocaten in België als vanzelfsprekend aanvaard.

Dit veranderde toen een advocaat bij het einde van zijn tewerkstelling een partner van zijn (Amerikaans) advocatenkantoor (met zetel te Brussel) voor de arbeidsrechtbank bracht en stelde dat hij onder diens werkgeversgezag stond en dus eigenlijk bediende was.

Op 8 december 2000 ging er een kleine paniekgolf doorheen de Belgische advocatuur toen de Brusselse arbeidsrechtbank inderdaad oordeelde dat de betrokken advocaat een bediende was. De partner bij het advocatenkantoor werd dus veroordeeld tot het betalen van een ontslagvergoeding en zelfs een vergoeding wegens ontslagmisbruik (hetgeen in de praktijk tamelijk zelden werd toegekend).

De arbeidsrechtbank baseerde zich vooral op feitelijke elementen die wezen op een gezagsrelatie en liet zich daarbij niet hinderen door de beroepsregels (of het zelfstandige samenwerkingscontract dat de partijen hadden afgesloten).

Er volgde evenwel hoger beroep. Het arbeidshof van Brussel oordeelde uiteindelijk (na een bewogen procedure) in een eindarrest van 16 maart 2004 dat de vordering van de advocaat onontvankelijk was omdat de partner van het advocatenkantoor (feitelijke vereniging) niet in eigen naam had mogen worden gedagvaard, maar hoogstens als vertegenwoordiger van die feitelijke associatie. Verder gaf het arbeidshof ook nog uitgebreid mee dat de advocaat niet bewees dat hij onder gezag stond van deze partner (in eigen naam). Uit de lezing van het arrest blijkt wel dat de discussie in een zeer (emotioneel) beladen sfeer werd gevoerd en leek het arbeidshof de stelling te onderschrijven dat een advocaat in België niet in ondergeschikt verband kan worden tewerkgesteld, gelet op de wettelijke beroepsregels.

Er volgde cassatieberoep. Het cassatieberoep werd echter verworpen bij een arrest 7 maart 2005.

Deze hele saga leidde dus niet meteen tot een duidelijk inhoudelijk antwoord op de vraag of advocaten in België nu ook als bedienden mogen (of kunnen) worden tewerkgesteld.

Geldigheid van de Vlaamse deontologische regels

Hangende de voornoemde cassatieprocedure liet ook de RSZ zich in 2005 ontvallen dat zij zich niet langer tolerant zou opstellen en niet langer automatisch zou aanvaarden dat alle advocaten zelfstandigen zijn en dat de kwalificatie (zelfstandige of bediende) zou moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden.

De Orde van Vlaamse Balies nam op 8 juni 2005 echter een reglement aan over het statuut van de advocaat met als enig artikel: “De advocaat oefent zijn beroep als zelfstandige uit, met uitsluiting van iedere band van ondergeschiktheid.” (thans artikel 142 Codex Deontologie van de Orde van Vlaamse Balies).

Een andere advocaat verzocht het Hof van Cassatie om dit reglement van de Vlaamse balies te vernietigen (hoewel hij bij de behandeling van de zaak niet langer advocaat was).

Het Hof van Cassatie oordeelde echter in een arrest van 6 oktober 2006 dat de Orde van Vlaamse Balies wel degelijk bevoegd was om dit reglement uit te vaardigen en dat deze bepaling ook geldig en redelijk was. In de woorden van het Hof van Cassatie: “Het is niet onredelijk, gelet op het doel de onafhankelijkheid van de advocaat en het vertrouwen van de rechter in de advocaat te vrijwaren, en is verantwoord door de wettekst zelf en zijn geschiedenis, te beslissen dat advocaten hun hoofdberoep niet in ondergeschikt verband mogen uitoefenen maar dit alleen mogen doen als zelfstandigen.”

Daarmee was de storm gaan liggen.

De knuppel opnieuw in het hoenderhok

Naar aanleiding van de voormelde evoluties was er in de periode 2000-2005 behoorlijk wat aandacht geweest voor het statuut van de advocaten, maar deze aandacht was recent wat meer naar de achtergrond verdwenen. De wetgever heeft zich bij deze specifieke discussie aangaande het statuut van advocaten ook op de achtergrond gehouden (er werden wel parlementaire vragen gesteld en later ook een algemene arbeidsrelatiewet uitgevaardigd die evenwel niet specifiek de situatie van advocaten viseert).

Op 25 februari 2018 verscheen evenwel het rapport aan minister Geens, geschreven door de advocaten Patrick Henry en Patrick Hofströssler (“De toekomst van het advocatenberoep”). In dit lijvig rapport (654 p.) formuleren zij aan de minister van Justitie hun voorstel (nr. 5) om het bediendestatuut ook principieel te openen voor advocaten (p.221-231) en waarin zij stellen dat de (Vlaamse) deontologische plicht op dit punt moet sneuvelen. Zij wijzen onder meer naar het voorbeeld van andere landen die ook het bediendestatuut toekennen aan hun advocaten en naar de andere vrije beroepers in België (zoals geneesheren) die ook niet per definitie zijn uitgesloten van een bediendestatuut.

Het is dus momenteel stilte voor de storm.

Wordt ongetwijfeld vervolgd…

 

2018-08-04T09:50:00+00:00 30 juli 2018|Categories: Arbeidsrecht - Gerechtelijk recht - HR & recruitment|Tags: , , |