>>>Vruchtgebruik: rechten en verplichtingen van partijen wijzigen door de hervorming van het goederenrecht. Deel 1 : wat wijzigt er inzake rechten? (LegalNews.be)

Vruchtgebruik: rechten en verplichtingen van partijen wijzigen door de hervorming van het goederenrecht. Deel 1 : wat wijzigt er inzake rechten? (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 13/11/2018

Rechten op het recht (art. 3.157)

1. Oud artikel

Art. 595 BW: “De vruchtgebruiker kan persoonlijk de vruchten genieten, hij kan verpachten, of zelfs zijn recht verkopen of afstaan om niet. (…)” ‘

2. Nieuw artikel

Art.3.157: “De vruchtgebruiker kan zijn recht van vruchtgebruik overdragen, daarop een vruchtgebruik toestaan, het verpanden als zijn recht van vruchtgebruik roerend is of het met hypotheek bezwaren als het onroerend is. Hij kan de onroerende goederen waarvan hij eigenaar is in het kader van een accessoir opstalrecht zoals bepaald in artikel 3.197, slechts overdragen of met hypotheek bezwaren door tegelijk, gedeeltelijk of geheel, het recht van vruchtgebruik waarvan hij titularis is over te dragen of met hypotheek te bezwaren.”

3. Reden van de wijzigingen

Een vruchtgebruiker mag, als titularis van zijn recht van vruchtgebruik, dit recht overdragen aan een derde, om niet of onder bezwarende titel, en op dit recht bepaalde zakelijke rechten aan derden toestaan. Hierop bestaat uiteraard uitzondering indien het vruchtgebruik in specifieke gevallen intuïtu personae is. Te denken valt bv. aan het wettelijke vruchtgebruik van de ouders op de goederen van de minderjarige kinderen (art. 384 BW) of aan de specifieke vorm van het recht van bewoning. Voor de hypotheek wordt dat uitdrukkelijk bevestigd in artikel 45 Hypotheekwet, maar ook voor het pandrecht blijkt dat impliciet uit artikel 7 Pandwet. Nochtans biedt een dergelijke zekerheidsvestiging, gezien de precaire aard van het onderpand, weinig zekerheid aan de hypothecaire of pandhoudende schuldeiser. Ook een vruchtgebruik op een recht van vruchtgebruik wordt daardoor mogelijk. Indien een vruchtgebruiker in het kader van zijn vruchtgebruik een bouwwerk of beplanting opricht, kan hij deze niet afzonderlijk vervreemden. Zoals uit artikel 3.197 blijkt, is de vruchtgebruiker nochtans eigenaar van de bouwwerken of beplantingen. Dat eigendomsrecht kadert in een accessoir opstalrecht. Het is echter niet mogelijk om de bouwwerken en beplantingen los te koppelen van het hoofdrecht, in casu het recht van vruchtgebruik. Aangezien een hypotheekrecht ook tot een loskoppeling kan leiden, hebben de opstellers van het ontwerp ervoor gekozen om niet toe te laten dat een afzonderlijke hypotheek op de bouwwerken en beplantingen te vestigen zonder geheel of gedeeltelijk ook het recht van vruchtgebruik te hypothekeren, wat in lijn is met de overheersende rechtsleer.

Gebruik van het bezwaarde goed (art. 3.158)

1. Oud artikel

Art. 589 BW: “Indien aan het vruchtgebruik zaken zijn onderworpen die, zonder dadelijk verbruikt te worden, allengs door het gebruik verslijten, zoals linnen of huisraad, dan heeft de vruchtgebruiker het recht zich van die zaken te bedienen voor het gebruik waarvoor zij bestemd zijn, en is hij slechts gehouden ze bij het einde van het vruchtgebruik terug te geven in de staat waarin zij zich bevinden, voor zover zij niet door zijn kwade trouw of zijn schuld schade hebben geleden.”

2. Nieuw artikel

Art.3.158: “De vruchtgebruiker heeft het gebruik van het bezwaarde goed voor zover hij, niettegenstaande enig andersluidend beding, daarbij voorzichtig en redelijk optreedt en de bestemming van het goed eerbiedigt. De bestemming van het goed is deze die daar bij contract aan is gegeven of, bij gebreke van contract, volgens de aard van de goederen en het eerdere gebruik door de blote eigenaar, vermoed wordt. Die gebruiksbevoegdheid geldt ook indien het bezwaarde goed in waarde daalt door het voorzichtige en redelijke gebruik dat men ervan maakt. Binnen de grenzen van het eerste lid, kan de vruchtgebruiker ook veranderingen aanbrengen en bouwwerken en beplantingen uitvoeren aan het bezwaarde goed. Indien de veranderingen, bouwwerken en beplantingen voortbestaan bij het einde van zijn recht, wordt hun lot door artikel 3.175 geregeld.”

3. Reden van de wijzigingen

In het vroegere artikel 578 BW wordt uitdrukkelijk bepaald dat de vruchtgebruiker het genot heeft van de in vruchtgebruik gegeven goederen “zoals de eigenaar zelf”. In de rechtspraak wordt echter unaniem erkend dat die bepaling te ruim is geformuleerd. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden moet de vruchtgebruiker twee beperkingen in acht nemen, nl. (1) zich gedragen zoals van een normaal zorgvuldig en vooruitziend persoon in dezelfde omstandigheden mag worden verwacht en (2) de bestemming van het goed, zoals bepaald door de blote eigenaar, eerbiedigen. Deze twee beperkingen op de gebruiksbevoegdheid worden thans uitdrukkelijk in de wet ingeschreven. Ook het oprichten van bouwwerken of beplantingen op het bezwaarde onroerend goed, behoort tot de gebruiksbevoegdheden van de vruchtgebruiker. Zulks vormt op zich geen wijziging van de bestemming van het onroerend goed. In principe vallen de bouwwerken en beplantingen van de vruchtgebruiker onder het accessoir opstalrecht van de vruchtgebruiker (art. 3.197). Wanneer bij het einde van het vruchtgebruik de natrekking intreedt, is de blote eigenaar in principe een vergoeding verschuldigd op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

Aangezien de beperkingen op zijn gebruiksbevoegdheid tot de essentie van het vruchtgebruik behoren, kan hiervan niet contractueel worden afgeweken.

De vruchtgebruiker mag zijn gebruiksbevoegdheid zelfs uitoefenen indien het bezwaarde goed in waarde daalt door het voorzichtige en redelijke gebruik dat men ervan maakt.

Behoud (art. 3.159)

1. Oud artikel

Art. 605 BW: “De vruchtgebruiker is slechts verplicht de herstellingen tot onderhoud te doen.
De grove herstellingen blijven ten laste van de eigenaar, behalve indien zij veroorzaakt zijn door het verzuimen van herstellingen tot onderhoud sinds de aanvang van het vruchtgebruik; in welk geval de vruchtgebruiker ook daartoe verplicht is.”
Artikel 606 BW: “Grove herstellingen zijn die van zware muren en van gewelven, de vernieuwing van balken en van gehele daken. Eveneens de vernieuwing van dijken en van steun- en afsluitingsmuren in hun geheel. Alle andere herstellingen zijn herstellingen tot onderhoud.”

2. Nieuw artikel

Art.3.159: “Het behoud van de bezwaarde goederen is in het gemeenschappelijk belang van de vruchtgebruiker en de blote eigenaar. De vruchtgebruiker, of indien hij in gebreke blijft, de blote eigenaar zijn bevoegd om daden van behoud en voorlopig beheer te stellen. Indien het vruchtgebruik rust op goederen die vatbaar zijn voor bederf of die onderhevig zijn aan snelle waardevermindering, kan dit, in geval van noodzakelijkheid, ook daden van beschikking inhouden. Degene die de handeling heeft gesteld, moet hiervan onverwijld kennis geven aan de andere.”

3. Reden van de wijzigingen

Deze bepaling is één van de bepalingen die gestalte geven aan de moderne opvatting over vruchtgebruik. De bevoegdheden van de vruchtgebruiker en blote eigenaar moeten als complementair worden beschouwd. Zij moeten hun bevoegdheden ook uitoefenen in overeenstemming met de belangen van de andere. Daden van behoud of voorlopig beheer moeten in de eerste plaats door de vruchtgebruiker worden gesteld, aangezien deze de goederen onder zich heeft. Indien hij in de onmogelijkheid is om te handelen, rechtvaardigt dit subsidiair de tussenkomst van de blote eigenaar. De mogelijkheid om goederen die aan bederf of snelle waardevermindering onderworpen zijn, te verkopen, is mede vanuit rechtseconomisch perspectief ingegeven.

De vruchtgebruiker moet de bevoegdheid hebben om de goederen in die hypothese te verkopen. Deze bepaling heeft een ruimere draagwijdte dan enkel maar verbruikbare goederen.

Beheer (art. 3.160)

1. Oud artikel

Art. 595 BW: “De vruchtgebruiker kan persoonlijk de vruchten genieten, hij kan verpachten, of zelfs zijn recht verkopen of afstaan om niet. Verhuring door de vruchtgebruiker alleen voor langer dan negen jaren is, ingeval het vruchtgebruik ophoudt, ten aanzien van de blote eigenaar slechts verbindend voor de tijd die nog overblijft hetzij van de eerste periode van negen jaren, indien partijen zich nog daarin bevinden, hetzij van de tweede periode, en zo verder, op zulke wijze dat de huurder enkel recht heeft op het genot gedurende de gehele periode van negen jaren, waarin hij zich bevindt. Verhuring voor negen jaren of minder, door de vruchtgebruiker toegestaan of vernieuwd, meer dan drie jaren voor het eindigen van de lopende huur wanneer het landeigendommen betreft, en meer dan twee jaar voor hetzelfde tijdstip wanneer het huizen betreft, heeft geen gevolg, tenzij de uitvoering voor het einde van het vruchtgebruik begonnen is.”

2. Nieuw artikel

Art.3.160: “De vruchtgebruiker kan daden van beheer stellen voor de duurtijd van zijn recht. Hij kan op de bezwaarde goederen gebruiksrechten aan derden toestaan, verlengen of hernieuwen. Indien het vruchtgebruik ten einde komt omdat de vruchtgebruiker ophoudt te bestaan, duurt dit lopende gebruiksrecht onder bezwarende titel, nog door voor zijn resterende duurtijd, en ten hoogste drie jaar, waarna het van rechtswege ten einde komt. Gebruiksrechten die nog niet in uitvoering zijn bij het einde van het vruchtgebruik krijgen geen uitwerking.”

3. Reden van de wijzigingen

Deze regeling vormt een afwijking op het oude artikel 595, tweede lid BW, en poogt hiervoor een evenwichtigere regeling uit te werken. Men is het er algemeen over eens dat het vanuit rechtseconomisch oogpunt wenselijk is om af te wijken van de “nemo plus” regel, die tot gevolg zou hebben dat het einde van het vruchtgebruik ook een einde zou maken aan de huurovereenkomst. Volgens het huidige artikel 595 BW kan de huurder nog de lopende negenjarige periode vervolmaken. Dat kan in de praktijk echter betekenen dat de huurovereenkomst nog één dag voortloopt, dan wel nog bijna negen jaar voortloopt, afhankelijk van hoever de negenjarige periode precies gevorderd is bij de beëindiging van het vruchtgebruik. Thans wordt uitdrukkelijk bepaald dat de huurovereenkomst nog ten hoogste drie jaar kan voortduren na het einde van het vruchtgebruik.

Het materiële toepassingsdomein van de huidige bepaling wordt enerzijds uitgebreid en anderzijds beperkt.

De uitbreiding ligt vooral in het feit dat ze altijd geldt wanneer de vruchtgebruiker een gebruiksrecht onder bezwarende titel aan een derde heeft toegestaan. Ze geldt dus niet enkel bij huur, maar ook indien het om een ander zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht gaat. De coherentie van het systeem vaart er wel bij. Bovendien geldt ze ongeacht of de huur betrekking heeft op een roerend of onroerend goed (waar die op dit ogenblik traditioneel beperkt wordt tot onroerende goederen). De beperking is dat ze enkel geldt indien het vruchtgebruik door overlijden (natuurlijke persoon) of faillissement / vereffening (rechtspersoon) ten einde komt.

Bovendien is de voorgestelde bepaling enkel van toepassing indien de derde een vergoeding moet betalen voor dit gebruiksrecht. Heeft de derde het gebruiksrecht bekomen om niet, dan speelt dus wel het “nemo plus”- beginsel: het einde van het vruchtgebruik heeft ook het einde van het gebruiksrecht om niet tot gevolg. Dat is bijvoorbeeld van belang voor de bruiklener. In geval van een opvolgend of terugvallend vruchtgebruik, ontstaat na overlijden van de eerststervende een nieuw vruchtgebruik. Overeenkomstig de hier vermelde regel blijft de huur alsdan nog voor ten hoogste drie jaar gelden.”

Genot: vruchten (art. 3.161)

1. Oud artikel

Art. 582 BW: “De vruchtgebruiker heeft recht op het genot van alle soorten van vruchten, hetzij natuurlijke vruchten, hetzij vruchten van nijverheid, hetzij burgerlijke vruchten, die door de zaak waarvan hij het vruchtgebruik heeft, kunnen worden voortgebracht.”

Art. 583 BW: “Natuurlijke vruchten zijn die welke de aarde uit zichzelf voortbrengt. Eveneens zijn natuurlijke vruchten de voortbrengsels van dieren en hun jongen. Vruchten van nijverheid van een erf zijn die welke men door bebouwing verkrijgt.”

Art. 584 BW: “Burgerlijke vruchten zijn huishuren, interesten van opeisbare geldsommen, rentetermijnen. Pachten van landerijen worden eveneens bij de burgerlijke vruchten ingedeeld.”

Art. 585 BW: “Natuurlijke vruchten en vruchten van nijverheid die bij de aanvang van het vruchtgebruik nog tak- of wortelvast zijn, behoren de vruchtgebruiker toe. Die welke zich bij het eindigen van het vruchtgebruik in dezelfde toestand bevinden, behoren de eigenaar toe, zonder dat, van de ene of van de andere zijde, vergoeding verschuldigd is voor de bewerking en het zaad, maar ook onverminderd het gedeelte van de vruchten dat de deelpachter mocht toekomen, indien erbij het begin of bij het einde van het vruchtgebruik een deelpachter was.”

Art. 586 BW: “Burgerlijke vruchten worden geacht van dag tot dag te worden verkregen en behoren de vruchtgebruiker toe, naar evenredigheid van de duur van zijn vruchtgebruik. Deze regel geldt zowel voor pachten van landerijen als voor huishuren en andere burgerlijke vruchten.”

2. Nieuw artikel

Art.3.161: “De vruchtgebruiker heeft recht op alle vruchten van het bezwaarde goed die tijdens het vruchtgebruik afgescheiden of opeisbaar worden; dat is ook het geval voor de vruchten die nog niet afgescheiden of opeisbaar waren op het ogenblik van het ontstaan van het vruchtgebruik. Vruchten die nog niet afgescheiden of opeisbaar waren bij het einde van het vruchtgebruik, komen toe aan de blote eigenaar. Indien de partij die geen aanspraak heeft op de vruchten hiervoor prestaties heeft geleverd, kan deze lastens de andere partij een vergoeding eisen overeenkomstig de ongerechtvaardigde verrijking.”

3. Reden van de wijzigingen

De voorgestelde bepaling verkiest eenvoud en transparantie boven het thans bestaande gedifferentieerde systeem: ongeacht het of gaat om burgerlijke vruchten, natuurlijke vruchten of vruchten van nijverheid komen deze aan de vruchtgebruiker toe indien ze afgescheiden worden tijdens het vruchtgebruik. Worden ze pas nadien afgescheiden, dan komen ze toe aan de blote eigenaar. Wie ze bewerkstelligd heeft, is op zakenrechtelijk niveau zonder belang. Indien bv. de beslissing van de algemene vergadering tot toekenning van een dividend na het einde van het vruchtgebruik valt, komt dit dividend aan de blote eigenaar toe. Uiteraard doet dit geen afbreuk aan verbintenisrechtelijke vergoedingsregels. Indien aan de voorwaarden is voldaan (met name: indien er geen oorzaak was), zou bijvoorbeeld een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking denkbaar zijn indien de niet-gerechtigde prestaties heeft verricht voor het doen ontstaan, het behoud of het innen van die vruchten.

Genot: opbrengsten (art. 3.162)

1. Oud artikel

Art. 590 BW: “Indien aan het vruchtgebruik schaarbossen zijn onderworpen, moet de vruchtgebruiker de orde en de hoeveelheid van de kappingen in acht nemen, overeenkomstig de bedrijfsregeling of het vaste gebruik van de eigenaars, zonder vergoeding echter voor de vruchtgebruiker of voor zijn erfgenamen wegens de gewone kappingen van schaarhout, van uitgespaard hout of van stamhout, die hij gedurende zijn vruchtgebruik niet zou hebben gedaan.

Bomen die men uit een kwekerij kan trekken zonder deze te beschadigen, behoren ook tot het vruchtgebruik, maar alleen onder verplichting voor de vruchtgebruiker om zich, wat betreft de vervanging, naar de plaatselijke gebruiken te gedragen.”

Art. 591 BW: “Verder heeft de vruchtgebruiker, steeds met inachtneming van de tijdstippen en het gebruik van de vorige eigenaars, het genot van de partijen bos van hoogstammig hout die waren onderworpen aan geregelde kappingen, hetzij deze op gezette tijden gedaan worden over een zekere uitgestrektheid grond, ofwel bestaan uit een zekere hoeveelheid bomen, zonder onderscheid over de gehele uitgestrektheid van het eigendom genomen.”

Art. 592 BW: “In alle andere gevallen moet de vruchtgebruiker de hoogstammige bomen onaangeroerd laten; hij mag alleen de bij ongeval uitgerukte of afgebroken bomen gebruiken om de herstellingen te doen waartoe hij gehouden is; te dien einde mag hij zelfs bomen laten omhakken, indien het nodig is, doch onder verplichting om samen met de eigenaar de noodzakelijkheid daarvan te doen vaststellen.”

Art. 593 BW: “Hij mag uit de bossen staken nemen voor de wijngaarden; hij mag ook van de bomen nemen hetgeen zij jaarlijks of op gezette tijden voortbrengen; een en ander met inachtneming van het gebruik van het gewest of de gewoonte van de eigenaars.”

Art. 594 BW: “Dode fruitbomen, alsook fruitbomen die bij ongeval zijn uitgerukt of afgebroken, behoren de vruchtgebruiker toe, onder verplichting om ze door andere te vervangen.”

Art. 598 BW: “Hij heeft ook, op dezelfde wijze als de eigenaar, het genot van de mijnen en groeven die reeds bij de aanvang van het vruchtgebruik in ontginning zijn; indien het echter een ontginning betreft die niet kan geschieden zonder een concessie, kan de vruchtgebruiker daarvan het genot niet hebben dan nadat de Koning hem daartoe verlof heeft verleend. Hij heeft geen recht op nog niet geopende mijnen en groeven, noch op veenderijen waarvan de ontginning nog niet is begonnen, noch op een schat die gedurende het vruchtgebruik mocht worden gevonden.”

Art. 598 (Vlaamse Gemeenschap): “Hij heeft ook, op dezelfde wijze als de eigenaar, het genot van de mijnen en groeven die reeds bij de aanvang van het vruchtgebruik in ontginning zijn; indien het echter een ontginning betreft die niet kan geschieden zonder een concessie, kan de vruchtgebruiker daarvan het genot niet hebben dan nadat de Koning hem daartoe verlof heeft verleend. Hij heeft geen recht op nog niet geopende mijnen en groeven, noch op veenderijen waarvan de ontginning nog niet is begonnen, noch op een schat die gedurende het vruchtgebruik mocht worden gevonden. In ontginningsgebieden kan het vruchtgebruik slechts worden gevestigd voor een bepaalde tijd die eindigt bij het verlenen van een ontginningsmachtiging, zoals bedoeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen.”

2. Nieuw artikel

Art.3.162: “De vruchtgebruiker heeft geen recht op de opbrengsten die het kapitaal van het bezwaarde goed verminderen, tenzij indien deze volgen uit een exploitatie die de vruchtgebruiker op dezelfde wijze en in dezelfde mate voortzet als deze die de eigenaar reeds vóór aanvang van het vruchtgebruik had ingezet. Indien het vruchtgebruik bij zijn ontstaan bomen omvat, mag de vruchtgebruiker deze bomen geregeld kappen op dezelfde wijze en in de mate dat de eigenaar deze bomen al aan geregelde kappingen onderwierp vóór het ontstaan van het vruchtgebruik. De vruchtgebruiker mag ook, op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de eigenaar, tot ontginning overgaan van de mijnen en groeven die reeds bij de aanvang van het vruchtgebruik in ontginning zijn, in voorkomend geval volgens de wettelijke en reglementaire voorschriften terzake.”

3. Reden van de wijzigingen

Een essentieel onderscheid in het ontwerp is dat tussen de vruchten en de opbrengsten van een goed. In theorie is dit onderscheid duidelijk: vruchten teren niet in op de kapitaalwaarde van een goed, terwijl dat voor opbrengsten wel het geval is. In de praktijk is dat onderscheid vaak moeilijker. Te denken is bv. aan dividenden die in de Belgische rechtspraak overwegend als vrucht van een in vruchtgebruik gegeven aandeel worden gezien. Vanuit rechtsvergelijkend perspectief wordt dat echter betwist. Deze dividenden zijn conceptueel te onderscheiden van bv. reserve-uitkeringen, die wel het kapitaal van de emitterende vennootschap en dus van het aandeel, verminderen.

In de praktijk is dat onderscheid echter niet eenvoudig te maken. Met deze bepaling wordt de relatie van de vruchtgebruiker tot de opbrengsten in het verlengde gedacht van diens gebruiksbevoegdheden.

Beschikking (art. 3.163)

1. Oud artikel

Art. 587 BW: “Indien aan het vruchtgebruik zaken zijn onderworpen die men niet kan gebruiken zonder ze te verbruiken, zoals geld, graan of drank, dan heeft de vruchtgebruiker het recht ze te gebruiken, onder verplichting echter om bij het einde van het vruchtgebruik een gelijke hoeveelheid zaken van dezelfde hoedanigheid en waarde, of de geschatte waarde, terug te geven.”

2. Nieuw artikel

Art.3.163: “Zonder afbreuk te doen aan artikel 3.180, mag een vruchtgebruiker over het bezwaarde goed buiten de grenzen van zijn bevoegdheden beschikken indien:

  1. een bijzondere wettelijke bepaling dit toelaat;
  2. dit in overeenstemming is met de bestemming van de goederen die reeds bestond op het moment dat het vruchtgebruik is ontstaan of contractueel tussen partijen is bedongen, én kadert binnen zijn verplichting tot een voorzichtig en redelijk beheer
  3. het vruchtgebruik op verbruikbare goederen betrekking heeft.

In die drie gevallen vindt artikel 3.174 toepassing.

3. Reden van de wijzigingen

Ook deze bepaling raakt aan de verhouding tussen de blote eigenaar en de vruchtgebruiker. Traditioneel wordt het vruchtgebruik als demembratie van het eigendomsrecht gezien als een afsplitsing tussen gebruik en genot enerzijds en beschikking anderzijds. De gebruiks- en genotsbevoegdheid zou toebehoren aan de vruchtgebruiker, de beschikkingsbevoegdheid aan de blote eigenaar. Een duale structuur overheerst in die klassieke benadering. Het gevolg hiervan is dat de vruchtgebruiker geen enkele bevoegdheid zou kunnen hebben om het goed te verkopen. In het huidige recht wordt daarvoor steun gevonden in artikel 578 BW, dat immers aan de vruchtgebruiker de verplichting oplegt om de zaak zelf in stand te houden. Die opvatting is geleidelijk verlaten voor een meer modernere opvatting van vruchtgebruik die de vruchtgebruiker als een soort fiduciaire eigenaar beschouwt. Hij zou – steeds in die opvatting – een bestemmingsgebonden beschikkingsbevoegdheid hebben. Dat zou dus ook gelden indien een dergelijke beschikking in lijn is met de bestemming van de goederen. Dat zou in het gemeenschappelijke belang van de vruchtgebruiker en de blote eigenaar moeten gebeuren. Via volmachten kan een dergelijke benadering door de partijen conventioneel worden versterkt.

De hier voorgestelde bepaling gaat mee in die ontwikkeling, zonder de traditionele uitgangspunten uit te hollen. In een aantal gevallen moet, in overeenstemming met de ontwikkelde doctrine, aan de vruchtgebruiker een functionele beschikkingsbevoegdheid worden toegekend. De toekenning van functionele beschikkingsbevoegdheid laat ook toe om het vroegere geval van “oneigenlijk vruchtgebruik” (quasi-vruchtgebruik) in de algemene theorie van vruchtgebruik te integreren.

Het gaat dus om een daadwerkelijk vruchtgebruik en niet om een quasi-eigendomsrecht, wat impliceert dat de blote eigenaar volgens het nieuwe ontwerp ook zijn zakelijk recht van blote eigendom behoudt. Dat biedt aan de blote eigenaar bijvoorbeeld bescherming in geval de vruchtgebruiker failliet wordt verklaard. Een vruchtgebruik op een algemeenheid is hier niet genoemd, omdat de vruchtgebruiker op een algemeenheid niet de bevoegdheid heeft om te beschikken over het met vruchtgebruik bezwaarde goed (d.i. de feitelijke algemeenheid zelf), maar enkel over de samenstellende bestanddelen ervan.

Bezoekrecht van de blote eigenaar (art. 3.164)

1. Nieuw artikel

Art.3.164: “De blote eigenaar van een onroerend goed heeft het recht om eenmaal per jaar het onroerend goed te bezichtigen.”

2. Reden van de wijzigingen

Dit recht van de blote eigenaar is ingevoerd om de naleving van zijn verplichtingen door de vruchtgebruiker te kunnen controleren. Zoals elk recht moet dit recht uitgeoefend worden op een manier die geen rechtsmisbruik uitmaakt. De blote eigenaar dient in de eerste plaats de modaliteiten met de vruchtgebruiker af te spreken.

Lees in het wetsontwerp de bepalingen inzake vruchtgebruik

2018-11-13T17:17:21+00:00 13 november 2018|Categories: Burgerlijk recht - Verbintenissen- en zakenrecht|Tags: |