>>>Rechtsmisbruik in het nieuw Burgerlijk Wetboek (Caluwaerts Uytterhoeven)

Rechtsmisbruik in het nieuw Burgerlijk Wetboek (Caluwaerts Uytterhoeven)

Auteurs: Kristof Uytterhoeven en Jochen Ooms (Caluwaerts Uytterhoeven)

Publicatiedatum: 02/03/2021

Op 24 februari 2021 werd het wetsvoorstel houdende Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers (Wetsvoorstel van 24 februari 2021 houdende Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek, Parl. St. Kamer 2020-21, nr. 1805/001.)

Dit Boek 1 bevat een aantal fundamentele begrippen in het burgerlijk recht, waaronder de rechtshandeling, de wilsuiting, de kennisgeving, de subjectieve goede trouw en het rechtsmisbruik.

Art. 1.10. Rechtsmisbruik van dit Boek 1 luidt:

Niemand mag misbruik maken van zijn recht.

Wie zijn recht uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst, maakt misbruik van zijn recht.

De sanctie voor een dergelijk misbruik bestaat in de matiging van het recht tot zijn normale rechtsuitoefening, onverminderd het herstel van de schade die het misbruik heeft berokkend.

Deze bepaling verankert een algemeen erkend rechtsbeginsel dat talloze malen werd bevestigd door het Hof van Cassatie: het verbod op rechtsmisbruik. Dit verbod beheerst in principe de uitoefening van alle subjectieve rechten. De definitie van het verbod op rechtsmisbruik werd onafgebroken gehanteerd door het Hof van Cassatie sinds het mijlpaalarrest van 10 september 1971 dat betrekking had op een buitencontractuele context. In dit arrest werd het generieke criterium van rechtsmisbruik door het Hof van Cassatie geformuleerd, dat nadien ook in talrijke arresten in het kader van een contractuele context werd gehanteerd. Dit generieke criterium wordt thans opgenomen in paragraaf 2 van de bepaling 1.10 NBW.

Dit generieke criterium werd in het verleden verder uitgewerkt aan de hand van bijzondere criteria. In het algemeen kan men stellen dat er rechtsmisbruik bestaat wanneer de titularis van het recht dit uitoefent:

  • met het exclusieve oogmerk om een ander te schaden;
  • zonder redelijk en voldoende belang, terwijl men schade berokkent;
  • op een voor hem nuttige wijze maar op een voor een ander nadelige wijze, terwijl de titularis een andere voor hem even nuttige wijze kon kiezen die voor de andere minder nadelig was;
  • terwijl er een wanverhouding bestaat tussen het voordeel dat die rechtsuitoefening hem kan bieden en het nadeel dat daarmee aan de andere wordt berokkend.

Er kan sprake zijn van rechtsmisbruik, zelfs wanneer het uitgeoefende recht van openbare orde is of van dwingend recht. 

Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie is de gebruikelijke sanctie de matiging van het recht tot zijn normale rechtsuitoefening. Die matiging kan zo ver gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen in de gegeven omstandigheden. De sanctie voor rechtsmisbruik kan ook bestaan in het herstel van de door het misbruik veroorzaakte schade, hetzij in natura, hetzij in de vorm van een schadevergoeding.

Het beginsel van het verbod op rechtsmisbruik kent talrijke toepassingen, zowel in een contractuele als het buitencontractuele context. Dit verbod is in principe van toepassing op elke uitoefening van elk subjectief recht waarover een rechtsonderhorige beschikt.

Lees hier het originele artikel

2021-03-11T08:09:39+00:00 3 maart 2021|Categories: Verbintenissen- en zakenrecht|Tags: , |