>>>‘Anticipatory breach’: het recht van de schuldeiser om onder bepaalde voorwaarden het contract te (laten) ontbinden bij een voortijdige niet-nakoming van zijn schuldenaar. Belangrijke nieuwigheid in het wetsvoorstel van 3 april 2019 (LegalNews)

‘Anticipatory breach’: het recht van de schuldeiser om onder bepaalde voorwaarden het contract te (laten) ontbinden bij een voortijdige niet-nakoming van zijn schuldenaar. Belangrijke nieuwigheid in het wetsvoorstel van 3 april 2019 (LegalNews)

Auteur: LegalNews

Publicatiedatum: 03/09/2020

Op 3 april 2019 werd het Wetsvoorstel tot invoeging van boek 5 “Verbintenissen” in het nieuw Burgerlijk Wetboek ingediend in de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Nieuw zijn de bepalingen betreffende ontbinding wegens niet-nakoming: we overlopen de artikelen 5.93 en 5.313.

Artikel 5.93. –  Recht op ontbinding

Definitie:

Het wederkerige contract kan worden ontbonden wanneer de niet-nakoming van de schuldenaar voldoende ernstig is of wanneer de partijen zijn overeengekomen dat die de ontbinding rechtvaardigt.

In uitzonderlijke omstandigheden kan het contract ook worden ontbonden wanneer het duidelijk is dat de schuldenaar, na te zijn aangemaand om binnen een redelijke termijn voldoende waarborgen te bieden voor de goede uitvoering van zijn verbintenissen, zijn verbintenissen niet tijdig zal nakomen en dat de gevolgen van die niet-nakoming voldoende ernstig zijn voor de schuldeiser.

De ontbinding vloeit voort uit een rechterlijke beslissing, uit de toepassing van een ontbindend beding of uit een kennisgeving van de schuldeiser aan de schuldenaar, overeenkomstig de volgende artikelen.

Indien herstel wordt toegekend ter aanvulling van de ontbinding, strekt dat herstel ertoe de schuldeiser terug te plaatsen in de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden als het contract was uitgevoerd.

Memorie van Toelichting (eigen selectie):

Deze bepaling behelst een verduidelijking van en aanvulling op de regels betreffende de ontbinding van het contract. Daarbij worden bepaalde lacunes in het Wetboek opgevuld (zo voorziet art. 1184 BW thans niet in de mogelijkheid tot een buitengerechtelijke ontbinding en evenmin in de ontbinding wegens voortijdige niet-nakoming). De voorgestelde bepaling berust op een deel van de hedendaagse rechtsleer en haalt inspiratie uit het Verdrag van Wenen inzake internationale koopovereenkomsten van roerende zaken, het buitenlands recht (zoals het Franse recht) en uit bepaalde Europese of internationale harmoniseringsinstrumenten.

1. Het eerste lid herinnert eraan dat de ontbinding van het contract een van de sancties van de aan de schuldenaar toerekenbare niet-nakoming is. Een verwijtbare tekortkoming van de schuldenaar aan een of meer van zijn verbintenissen is een grondvereiste die geldt voor de gerechtelijke en buitengerechtelijke ontbinding. Voor de gerechtelijke ontbinding vereist een vaste rechtspraak dat de tekortkoming voldoende ernstig is. Die vereiste geldt ook voor de ontbinding door kennisgeving van de schuldeiser aan de schuldenaar. Middels een ontbindend beding kunnen de partijen daarentegen de tekortkoming(en) bepalen die de schuldeiser de mogelijkheid zal (zullen) geven om het contract te ontbinden, alsook de ernst van die tekortkomingen.

2. Het tweede lid bevat een aanzienlijke vernieuwing, vermits het de “anticipatory breach” verankert, dat wil zeggen het recht van de schuldeiser om onder bepaalde voorwaarden het contract te (laten) ontbinden bij een voortijdige niet-nakoming van zijn schuldenaar. Hierbij wordt dus een oplossing geboden voor het probleem van de schuldeiser die voorziet dat een verbintenis, die nochtans nog niet opeisbaar is, niet zal worden nagekomen. Wat te doen immers, wanneer de schuldeiser reeds vóór het overeengekomen tijdstip voor de nakoming van de verbintenissen beseft dat zij niet zal plaatsvinden of wanneer hij goede redenen heeft om zoiets te vrezen?
De voorgestelde bepaling onderwerpt die ontbinding aan strikte voorwaarden.

Zoals bij de exceptio timoris kan de aangemaande schuldenaar binnen een redelijke termijn voldoende waarborgen bieden voor de goede uitvoering van zijn verbintenis. Teneinde evenwel een herkenbare gradatie ten aanzien van de toepassingsvoorwaarden van de exceptio timoris in te stellen, geldt de aanwezigheid van uitzonderlijke omstandigheden als vereiste voor de ontbinding wegens voortijdige niet-nakoming. Afgezien van het Belgische en Franse recht, heeft deze ontbinding wegens voortijdige niet-nakoming reeds ruim ingang gevonden (zie bv. art. 6:80 NBW).

In 1980 is zij bekrachtigd door het Verdrag van Wenen inzake internationale koopovereenkomsten van roerende zaken, (artt. 72 en 73, lid 2); sinds de ratificering van dat verdrag door België maakt de anticipatory breach derhalve deel uit van het geldend Belgisch recht. De voorgestelde bepaling is daaraan in grote mate ontleend.

Een plaats voor de anticipatory breach is ingeruimd in andere, recentere harmoniseringsinstrumenten (zie artt. 7.3.3.-7.3.4. PICC, art. 9:304 PECL en art. III-3: 504 DCFR).

Aangezien de voorgestelde bepaling suppletief is, kan de ontbinding wegens voortijdige niet-nakoming vervat zijn in een beding dat de anticipatory breach organiseert. De partijen kunnen bijvoorbeeld de vereiste voorwaarden, zoals de uitzonderlijke omstandigheden, preciseren of zelfs schrappen; zij kunnen ook de toepassing op hun contract van de anticipatory breach uitsluiten.

3. Het derde lid verankert, zoals het nieuwe Franse Burgerlijk Wetboek (art. 1224), drie manieren die de schuldeiser in staat stellen om de ontbinding in geval van niet-nakoming te verkrijgen of teweeg te brengen. De ontbinding kan worden uitgesproken door de rechter bij wie de schuldeiser zijn zaak aanhangig heeft gemaakt met een vordering tot ontbinding van het contract (zie art. 5.94). Het betreft de gerechtelijke ontbinding, erkend in tal van bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (art. 1184 voor het gemeen recht, en voor de bijzondere contracten, bv. artt. 1610, 1654, 1729, 1741 en 1760). Het voorstel neemt daarnaast twee vormen van buitengerechtelijke ontbinding in aanmerking, die over het algemeen erkend zijn in het hedendaagse recht. Het stelt de partijen in staat om ontbindende bedingen te stipuleren die de schuldeiser de mogelijkheid bieden om het contract te ontbinden met een schriftelijke kennisgeving van de ontbinding. Dat is in overeenstemming met het huidige.

Maar, zelfs bij ontstentenis van een ontbindend beding dat de schuldeiser vrijstelt van een voorafgaand beroep op de rechter, verankert het voorstel de zogeheten “eenzijdige” ontbinding of ontbinding “op verklaring van de schuldeiser” doordat het aanvaardt dat de schuldeiser, op eigen risico, aan zijn schuldenaar een schriftelijke kennisgeving richt dat hij het contract ontbindt (zie art. 5.96). In geval van een buitengerechtelijke ontbinding wordt het contract ontbonden zodra de schuldenaar kennis gehad heeft van de bedoeling van zijn medecontractant of, op zijn minst, daarover redelijkerwijze kon worden ingelicht (ofschoon verkregen op dat tijdstip, kunnen de gevolgen van de ontbinding teruggaan in de tijd. Zie art. 5.98). De buitengerechtelijke ontbinding is dus een mededelingsplichtige rechtshandeling en bijgevolg is een kennisgeving vereist.

Dit voorstel eist een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar ten behoeve van zijn bescherming (zie artt. 5.95 en 5.96). Bijgevolg kan de schuldeiser er belang bij hebben om zijn verklaring van ontbinding te laten betekenen door middel van een deurwaardersexploot, waardoor de overschrijving ervan kan worden gewaarborgd overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van de hypotheekwet. Volledigheidshalve kan men toevoegen dat de partijen steeds een minnelijke ontbinding kunnen overeenkomen bij toerekenbare niet-nakoming van het contract.

4. Het laatste lid veralgemeent het derde lid van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek en bepaalt aldus dat de gerechtelijke of de buitengerechtelijke ontbinding, of nog, de ontbinding wegens voortijdige niet-nakoming, steeds gepaard kunnen gaan met een aanvullend schadeherstel. Dat valt onder de gemeenrechtelijke regels inzake contractuele aansprakelijkheid en moet dus, in beginsel, het damnum emergens en het lucrum cessans dekken. De schuldeiser moet bewijzen dat hij, ondanks de ontbinding van het contract, nog schade lijdt. Het aanvullend herstel beoogt het herstel van het positieve contractsbelang. Voor de bepaling van het schadeherstel moet een vergelijking gemaakt worden tussen de actuele toestand van de schuldeiser en zijn toestand indien de schuldenaar het contract op correcte wijze had uitgevoerd (terwijl het herstel van het negatieve belang louter de huidige toestand van de schuldeiser vergelijkt met de toestand indien het contract niet was gesloten.

Uit recente arresten van het Hof van Cassatie kan een tendens naar het herstel van het positieve contratsbelang worden afgeleid. Een deel van de rechtsleer heeft zich reeds, met ondersteunende argumenten, in het voordeel van deze tendens uitgesproken.

Uiteraard kan het aanvullend herstel in het kader van de ontbinding wegens toerekenbare niet-nakoming het voorwerp zijn van een schadebeding.

Art. 5.313. Exceptie van niet-uitvoering

Definitie:

1. In een wederkerige rechtsverhouding kan de schuldeiser van een opeisbare verbintenis de nakoming van zijn eigen verbintenis opschorten totdat de schuldenaar de zijne uitvoert of aanbiedt ze uit te voeren. De opschorting moet te goeder trouw worden toegepast.
De bewijslast dat de schuldenaar zijn verbintenis is nagekomen of heeft aangeboden na te komen, rust op de schuldenaar. Indien de schuldeiser meent dat die nakoming of dat aanbod tot nakoming niet overeenstemt met hetgeen verschuldigd was, draagt hij de bewijslast.

2. De schuldeiser kan de nakoming van zijn verbintenis tevens opschorten wanneer het duidelijk is dat zijn schuldenaar zijn verbintenis niet zal hebben uitgevoerd op het einde van de uitvoeringstermijn en dat de gevolgen van die niet-nakoming voldoende ernstig zijn voor hem.
De schuldeiser kan de nakoming van zijn verbintenis niet meer opschorten indien de schuldenaar voldoende waarborgen biedt voor de goede uitvoering van de zijne.

3. Wanneer de verbintenis van de schuldenaar nog niet opeisbaar is of wanneer de goede trouw dat vereist, moet de opschorting zonder onnodige vertraging schriftelijk ter kennis worden gebracht. De kennisgeving vermeldt de reden van de opschorting en de omstandigheden die de opschorting rechtvaardigen.

Memorie van Toelichting (eigen selectie):

Het eerste lid van de eerste paragraaf bevestigt een oplossing die reeds lang aanvaard is in de rechtspraak en de rechtsleer: de exceptie van niet-uitvoering is van rechtswege begrepen in elk wederkerig contract en, breder zelfs, in elke wederkerige rechtsverhouding (bv. de wederkerige restituties die partijen elkaar verschuldigd zijn na de nietigverklaring of de ontbinding van een contract). Zoals dit geldt bij alle sancties, moet ook de exceptie van niet-uitvoering te goeder trouw worden ingeroepen in overeenstemming met het proportionaliteitsbeginsel. Het tweede lid van de eerste paragraaf beoogt de betwistingen in de doctrine over de bewijslast te beslechten zoals een deel van de doctrine heeft gesuggereerd.

De tweede paragraaf bevat een belangrijke vernieuwing. Deze bepaling erkent de zogenaamde “exceptio timoris” (letterlijk: de exceptie van vrees), met name het recht voor een partij om de nakoming van haar verbintenis te schorsen, al is zij opeisbaar, wanneer er een sprake is van een “voortijdige niet-nakoming” in hoofde van de wederpartij. Het Burgerlijk Wetboek maakt hiervan reeds toepassing in artikel  1653. De voortijdige opschorting kent een brede erkenning in de soft law instrumenten en in het Weens Koopverdrag. Zij werd ook verankerd in artikel 1220 van het Franse Burgerlijk Wetboek (zie ook: art. 52 NBW en § 273 BGB). De voorgestelde tekst van deze paragraaf is geïnspireerd door artikel 1220 C. civ. fr.. De bepaling zet echter een bijkomende stap door de schuldenaar de mogelijkheid te geven om “waarborgen” te geven aan de schuldeiser dat hij zijn verbintenis zal nakomen aan het einde van de uitvoeringstermijn. Men vindt deze oplossing onder andere terug in de soft law instrumenten en in het Weens Koopverdrag.

De derde paragraaf voert de voorwaarde in van een schriftelijke kennisgeving wanneer de verbintenis van de schuldenaar nog niet opeisbaar is of wanneer de goede trouw dit vereist. Deze bepaling wil de schuldenaar beschermen. Zij is ingegeven door een arrest van het Hof van Cassatie van 13 januari 2017.

Het volledige wetsvoorstel vindt u hier

2020-09-03T07:01:26+00:00 3 september 2020|Categories: Verbintenissen- en zakenrecht|