Wat met de waarschuwingsplicht van de aannemer als de architect zijn controleverbintenis niet (correct) naleeft? (Schoups)

Auteur: Michael Thielens (Schoups)

Publicatiedatum: 17/03/2021

Op de aannemer rust, als gevolg van zijn verplichting om de overeenkomst te goeder trouw uit te voeren (artt. 1134 en 1135 oud BW), een informatieverbintenis ten aanzien van de opdrachtgever bestaande uit drie gradaties: informeren, waarschuwen en weigeren. Waar de eerste gradatie (de “informatieplicht”) de inhoud en omvang (beperkingen, uitvoeringsmogelijkheden, technische eigenschappen etc.) en gevolgen (risico’s etc.) van de eigen werken van de aannemer tot voorwerp heeft, heeft de tweede gradatie (de “waarschuwingsplicht”) hoofdzakelijk de werken van anderen (opdrachtgever, architect etc.) tot voorwerp. De aannemer moet de opdrachtgever immers waarschuwen voor fouten, hiaten of bepaalde risico’s in de contractuele documenten, in het bijzonder het uitvoeringsdossier (al dan niet opgesteld door een architect), de gegeven instructies en gemaakte afspraken.

Zo moet de aannemer die vaststelt dat een omgevingsvergunning ontbreekt, niettegenstaande de werken vergunningsplichtig zijn, de opdrachtgever waarschuwen en hem wijzen op de gevolgen van het ontbreken van deze omgevingsvergunning (Luik 1 oktober 2015; Kh. Leuven 6 oktober 2015). Ook indien de aannemer vaststelt dat de architect onvoldoende isolatie heeft voorzien, moet hij de opdrachtgever hiervoor waarschuwen (Antwerpen 16 maart 2020).

Tijdens de uitvoeringsfase van de werken is het evenwel niet alleen de aannemer die alert moet blijven en de opdrachtgever desgevallend moet waarschuwen, op de architect rust een controleverbintenis (controle op de conforme uitvoering van de werken door de aannemer) en daaraan gekoppeld een advies- en bijstandsverbintenis ten aanzien van de opdrachtgever. Aldus ontstaat er een systeem van “checks and balances” met als doel de bescherming van de opdrachtgever. Maar wat met de waarschuwingsplicht van de aannemer als de architect zijn controle gebrekkig (e.g. onvoldoende aanwezigheid op de werf) of helemaal niet (e.g. geen architect aangesteld) uitvoert?

Deze vraag leidt tot een moeilijke evenwichtsoefening in de rechtspraak. Enerzijds maakt de aanwezigheid van een architect (als technisch raadsman van de opdrachtgever) de opdrachtgever enigszins “technisch onderlegd”, wat een criterium is tot vermindering van de waarschuwingsplicht van de aannemer, zonder de waarschuwingsplicht evenwel volledig te doen verdwijnen (Rb. Nijvel 6 oktober 2011). Van een aannemer kan niet worden verwacht dat hij het werk van een architect aan een grondig onderzoek onderwerpt en als het ware opnieuw doet (Antwerpen 31 mei 2010; Gent 8 april 2016). Zo oordeelde het hof van beroep Antwerpen (Antwerpen 3 mei 2017) dat met betrekking tot een gemengd complex (industrie-woningbouw) waarin zich waterinfiltraties in de vloerplaat voordeden als gevolg van een zeer lage inplanting in combinatie met het ontbreken van iedere waterdichting, dat doordat de specialisatie van de aannemer zich beperkte tot industriebouw het “dan ook niet aan de aannemer [behoorde] om bijkomende vragen te stellen aan de architect, noch over de inplanting van het gebouw (met inbegrip van de diepte of de hoogte), noch over de waterdichting, waarbij de aannemer, wiens specialiteit zich beperkt tot industriebouw, terecht kan vertrouwen op de vooronderstelde – maar post factum gebleken gebrekkige – deskundigheid van de architect inzake woningbouw”.

Anderzijds kan de aannemer zich niet verschuilen achter de afwezigheid van een architect of een architect die zijn controleverbintenis niet behoorlijk uitoefent: zijn waarschuwingsplicht blijft in min of meerdere mate bestaan (Bergen 8 mei 2013; Luik 22 september 2016). Zijn waarschuwingsplicht kan zelfs zo worden ingevuld dat hij, bij afwezigheid van een architect hoewel vereist, bij de opdrachtgever moet aandringen op de aanwezigheid van een architect bij cruciale fasen van de werken, zoals de aanvang van de werken (Bergen 10 september 2013). Geeft de opdrachtgever hier geen gevolg aan, dan bereikt men de derde en meest verregaande gradatie van de informatieverbintenis (de “weigeringsplicht”): de aannemer kan en zal soms moeten weigeren om de werken uit te voeren.