Verstikkingsgevaar voor nieuwe projecten met mobiliteitsimpact? (adhemar.law)

Auteurs: Jan Roggen, Joris De Pauw en Durkadin Yilmaz (adhemar.law)

Publicatiedatum: 18/03/2021

In een arrest van 25 februari 2021 vernietigde de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) een vergunning voor de uitbreiding van een kippenstal in Kortessem omwille van de stikstofuitstoot en de mogelijke impact van die stikstofuitstoot op nabijgelegen habitatrichtlijngebieden (en VEN-gebieden). Deze uitspraak komt voor insiders niet als een verrassing, maar de gevolgen ervan zijn verregaand. Komt hierdoor ook uw project in het gedrang? Wij lichten het graag toe.   

WAT ACHTERGROND: SBZ, GUNSTIGE STAAT VAN INSTANDHOUDING EN STIKSTOFDEPOSITIE

De Europese habitatrichtlijn verplicht de Lidstaten om speciale beschermingszones (SBZ’s) vast te stellen. Die gebieden worden ook Habitatrichtlijngebieden of natura-2000 gebieden genoemd. Het doel van de richtlijn is om de natuurlijke habitats en wilde dieren van communautair belang in een goede staat van instandhouding te behouden of, als dat nog niet het geval is, te herstellen.

In Vlaanderen bevinden veel habitats en soorten zich in een ongunstige staat van instandhouding. Tegen 2050 moet dat veranderen en moeten alle habitats en soorten zich in een gunstige staat van instandhouding bevinden. Daarvoor moet er heel wat natuur bijkomen en moet die nieuwe natuur – en ook de bestaande natuur – van betere kwaliteit zijn.

Daarom zijn er doelstellingen en rapporten opgesteld waarin wordt aangegeven welke maatregelen binnen de SBZ’s moeten worden genomen om een gunstige staat van instandhouding te bereiken voor alle habitats en soorten.  

Uit die rapporten blijkt dat de te hoge stikstofdepositie binnen SBZ’s één van de belangrijke problemen is die een gunstige staat van instandhouding verhindert. Die stikstofdeposities zijn voor 45% afkomstig van buiten het Vlaams Gewest; 40% is afkomstig van landbouw binnen het Vlaams Gewest, 9% van transport, 2% van de industrie, 3% van huishoudelijke bronnen en minder dan 0,5% van de energiesector.

Te hoge stikstofdeposities leidt tot eutrofiëring van het water en verzuring van de bodem, waardoor de biodiversiteit wordt aangetast en ecosystemen worden verstoord. Voor elk type habitat werd daarom een kritische depositiewaarde vastgesteld. Als die waarde overschreden wordt, dan komt de gunstige staat van instandhouding van dit type habitat in het gedrang. Momenteel is er binnen elk SBZ in Vlaanderen minstens één habitat aanwezig waarvoor de kritische depositiewaarde overschreden is. Om een gunstige staat van instandhouding te bereiken, moet de stikstofdepsoitie in SBZ’s dus drastisch verminderd worden.

MEER ACHTERGROND: VOORLOPIGE PAS EN PASSENDE BEOORDELING

De vermindering van de stikstofdepositie moet gebeuren via een programmatorische aanpak. In 2014 werden daartoe de eerste stappen gezet door de Vlaamse regering met een voorlopige PAS (“Programmatische Aanpak Stikstof”) met een gefaseerde aanpak om een volledige vergunningsstop te vermijden.

Als onderdeel van die PAS werd onder meer een “significantiekader” opgemaakt waaraan vergunningsaanvragen in de buurt van SBZ’s konden worden getoetst. Voor elk plan of project dat een betekenisvolle impact kan veroorzaken op een SBZ moet een zogenaamde “passende beoordeling” worden opgemaakt waarin wordt onderzocht of de mogelijke impact van het plan of project op de omliggende SBZ’s aanvaardbaar is.

Indien de stikstofbijdrage van een nieuw project (of de uitbreiding van een bestaand project) minder bedraagt dan de drempelwaarden voorzien in het significantiekader van de PAS, dan werd aangenomen dat het project geen betekenisvolle effecten kon hebben op de goede instandhouding van de habitats in het SBZ, zodat geen passende beoordeling moest worden opgemaakt.

HET OORDEEL VAN DE RVVB

De RvVb oordeelde dat dit significantiekader van de voorlopige PAS onwettig is. Die werkwijze laat immers toe dat projecten die leiden tot bijkomende stikstofdeposities worden vergund zonder dat in concreto – in een passende beoordeling – wordt onderzocht wat de mogelijke impact is van die bijkomende stikstofdeposities op omliggende SBZ’s.

Dit oordeel van de RvVb is geen verrassing. In Nederland was er immers reeds enige tijd rechtspraak in dezelfde zin. 

EN UW PROJECT?

Dit arrest van de RvVb is relevant voor alle projecten die leiden tot bijkomende stikstofuitstoot. In de eerste plaats gaat het dan om landbouwgerelateerde projecten, maar ook voor alle projecten die leiden tot meer verkeer is de mogelijke impact groot.

Indien uw project, bijvoorbeeld door bijkomend verkeer, kan leiden tot bijkomende stikstofdeposities in een of meerdere SBZ’s in de ruime omgeving van uw project, dan zal telkens in concreto – in een passende beoordeling – moeten worden onderzocht wat de impact daarvan is op de habitats in het SBZ. Enkel indien uit de passende beoordeling blijkt dat het project, inclusief milderende maatregelen, niet zal leiden tot een betekenisvolle impact op de habitats in het SBZ, kan het project vervolgens worden vergund.

Lees hier het originele artikel