Uitbesteding van gespecialiseerde studies door de architect, en daarmee uit? (Michael Thielens)

Auteur: Michael Thielens (Schoups / KULeuven)

Publicatiedatum: 27/04/2021

Het komt in de praktijk regelmatig voor dat een architect bepaalde gespecialiseerde studies, waarvoor hij niet is gevormd en die zijn expertise te buiten gaan, uitbesteedt aan een studiebureau. Hierbij kan worden gedacht aan bodem- en stabiliteitsstudies (Luik 19 november 2015), technieken (Brussel 23 september 2019 – liftinstallatie), enz.  De rechtspraak die deze uitbesteding aanvaardt, maakt doorgaans geen onderscheid tussen de uitbesteding in onderaanneming (van de architect) dan wel in nevenaanneming (naast de architect).

Het onderscheid is niettemin van belang. Bij onderaanneming gaat de hoofdaannemer (architect) op eigen initiatief, kosten en verantwoordelijkheid het werk, waartoe hij zich heeft verbonden jegens de opdrachtgever, (gedeeltelijk) laten uitvoeren door een onderaannemer (studiebureau), zonder dat dit een contractuele band tussen de opdrachtgever en de onderaannemer (studiebureau) doet ontstaan. Bij nevenaanneming gaat dit initiatief uit van de opdrachtgever met een contractuele band tussen de opdrachtgever en elk van de nevenaannemers (architect én studiebureau) tot gevolg. Het gebrek aan contractuele band tussen de opdrachtgever en het studiebureau in geval van onderaanneming wordt problematisch wanneer de architect zich in de verhouding met de opdrachtgever exonereert voor fouten van zijn onderaannemer (studiebureau). Met andere woorden, indien een gebrek in het bouwwerk het gevolg is van een ontwerpfout van het studiebureau, blijft de opdrachtgever met lege handen achter: de architect beroept zich op de exoneratieclausule én het studiebureau beroept zich op het gebrek aan contractuele band in combinatie met de theorie van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent.

Maar wat indien de gebreken als gevolg van de ontwerpfout van het studiebureau stabiliteitsbedreigend blijken te zijn? Deze vraag werd enkele decennia geleden voorgelegd aan het Hof van Cassatie (Cass. 3 maart 1978). Het bestreden arrest kwam van het hof van beroep Brussel dat oordeelde dat een architect, belast met het ontwerp van een zwembad, niet aansprakelijk was voor de barstvorming in het zwembad aangezien hij zich (impliciet) had geëxonereerd door de betonstudies in onderaanneming toe te wijzen aan een studiebureau. Met een eerste cassatiemiddel beriep de opdrachtgever zich onder andere op een strijdigheid van deze beslissing met twee bepalingen van openbare orde:

  • Het wettelijk monopolie van de architect (art. 4 Architectenwet) dat bepaalt dat het “opstellen van de plannen” en de “controle op de uitvoering van de werken” alleen door een architect mogen worden uitgevoerd indien voor de werken een omgevingsvergunning is vereist. Dit wettelijk monopolie raakt de openbare orde (Cass. 6 januari 2012) zodat men deze taken niet zou kunnen uitbesteden.
  • De aansprakelijkheid voor stabiliteitsbedreigende gebreken (artt. 1792 en 2270 oud BW) die eveneens de openbare orde raakt (Cass. 5 september 2014) zodat men zich hiervoor niet zou kunnen exonereren.

Het Hof van Cassatie verbrak het arrest, maar enkel omdat de exoneratie op absolute wijze werd erkend, zonder toetsing aan voormelde bepalingen. Zo vereiste het Hof:

  • Toets 1: Dat de uitbesteding betrekking heeft op gespecialiseerde studies waarvoor de architect geen vorming heeft gehad en die zijn “bevoegdheid” te buiten gaan. Lees als: studies die niet tot het normaal takenpakket van een architect behoren en die bijgevolg ook niet onder het wettelijk monopolie van de architect kunnen vallen.
  • Toets 2: Dat de architect een goed studiebureau heeft aangewezen waarbij hij de gemaakte fouten, gelet op zijn vakkennis, niet had kunnen ontdekken. Lees als: de architect mag geen fout hebben begaan zodat de aansprakelijkheid voor stabiliteitsbedreigende gebreken – als foutaansprakelijkheid – niet van toepassing is.

Dit cassatiearrest wordt al decennia lang als principe aangegrepen in de rechtspraak, zonder overstemmende kritiek. Niettemin staan de toetsen die het Hof heeft ontwikkeld op losse schroeven (thans met betrekking tot uitbesteding in onderaanneming) ingevolge een voortschrijdend inzicht in de rechtspraak:

  • Toets 1: Onderaanneming is een toepassing van de “theorie van de economische vertegenwoordiging” wat impliceert dat vanuit het oogpunt van de opdrachtgever, de hoofdaannemer (architect) en de onderaannemer (studiebureau) feitelijk vereenzelvigd worden. Dit heeft onder meer tot gevolg dat een fout van de onderaannemer (studiebureau) wordt gelijkgesteld aan een fout van de hoofdaannemer (architect) (zie ook art. 1797 oud BW) maar ook dat een hoofdaannemer (architect) alleen maar in onderaanneming kan geven, wat in zijn eigen opdracht zit. Dit laatste werd recent nog bevestigd door het hof van beroep Brussel (Brussel 23 september 2019). Heeft het dan nog zin om te toetsen of een bepaalde taak wel tot het normaal takenpakket van een architect behoort indien de uitbesteding in onderaanneming noodzakelijk tot gevolg heeft dat de architect oorspronkelijk met deze taak diende te zijn belast?
  • Toets 2: De aansprakelijkheid voor stabiliteitsbedreigende gebreken is een foutaansprakelijk (Rb. Dendermonde 27 januari 2012). Niettemin wordt vastgesteld dat men anno 2021 anders kijkt naar dit aansprakelijkheidsregime dan anno 1978. Een mooi voorbeeld daarvan is het cassatiearrest van 5 september 2014 waarin het Hof diende te oordelen over de geldigheid van een clausule waarin de architect zijn in solidum-aansprakelijkheid voor stabiliteitsbedreigende gebreken uitsloot (de architect aanvaardde de aansprakelijkheid maar wou enkel de gevolgen dragen die procentueel overeenkwamen met zijn fout). Advocaat-Generaal VANDEWAL achtte dergelijke clausules in strijd met de openbare orde, daar “het principe van integrale vergoeding van de schade” besloten zou liggen in de aansprakelijkheid voor stabiliteitsbedreigende gebreken. De opdrachtgever moet kunnen genieten van een integrale vergoeding van zijn schade, zo niet zou dit een aanmoediging kunnen vormen voor slechte uitvoering van de werken. Het Hof van Cassatie besloot uiteindelijk ook tot een strijdigheid met de openbare orde (Cass. 5 september 2014).

Hoewel nuttig om deze principes te herhalen, stelt zich meteen ook de vraag of het Hof van Cassatie, wanneer het geconfronteerd zou worden met een uitbesteding in onderaanneming in combinatie met de aansprakelijkheid voor stabiliteitsbedreigende gebreken, anno 2021 nog tot dezelfde toetsing zou besluiten als anno 1978. In ieder geval ontslaat een uitbesteding de architect niet van zijn overige verbintenissen ten aanzien van de opdrachtgever, te weten zijn advies- en bijstandsverbintenis in het kader waarvan hij de opdrachtgever moet adviseren omtrent de keuze van het studiebureau, de controleverbintenis in het kader waarvan hij fouten in de ontwerpen van het studiebureau moet opsporen voor zover dit tot zijn vakkennis behoort (Brussel 23 september 2019) en de coördinatieverbintenis in het kader waarvan hij de gespecialiseerde studies in het architecturaal ontwerp moet coördineren en integreren (Brussel 23 mei 2017).

En daarmee uit?