Privaatrechtelijke erfdienstbaarheden in het oud en nieuw Burgerlijk Wetboek

Webinar on demand

Het nieuwe goederenrecht en de vastgoedpraktijk – 10 relevante nieuwigheden onder de loep

Webinar on demand

50 jaar Wet Breyne – Een overzicht aan de hand van rechtspraak

Webinar on demand

Buitencontractuele aansprakelijkheid in het bouwgebeuren

Webinar on demand

Voordeelpakket
‘Bouw en Aanneming’

6 Webinars on demand

Privaat versus publiek bouwrecht

Webinar on demand

Strenge interpretatie van belangenconflictregeling in artikel 15/1 Omgevingsvergunningsdecreet inzake MER-plichtige aanvragen (Publius)

Auteurs: Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper (Publius)

Met arrest nr. RvVb-A-2021-0910 van 22 april 2021 nam de Raad voor Vergunningsbetwistingen een belangrijke princiepsuitspraak inzake artikel 15/1 Omgevingsvergunningsdecreet dat als volgt luidt:

Artikel 15/1, lid 1 van het Omgevingsvergunningsdecreet, luidt als volgt:

‘Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 het college van burgemeester en schepenen bevoegd is, is evenwel de deputatie bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden:
1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
2° het college van burgemeester en schepenen is initiatiefnemer en aanvrager van het project.
…’

In dit dossier werd de aanvraag mede ingediend door een autonoom gemeentebedrijf.  Dit belette niet dat het college van burgemeester de vergunningsaanvraag in eerste aanleg behandelde.

Volgens de RvVb had het college zich moeten onthouden en had de aanvraag in eerste aanleg moeten behandeld worden door de deputatie:

‘Het is dus duidelijk dat het gegeven dat het [autonoom gemeentebedrijf]  optreedt als (mede)aanvrager van het betrokken project, niet belet om vast te stellen dat dit optreden enkel kan beschouwd worden als een beleidsuitvoerende taak van het [autonoom gemeentebedrijf]  voor een gemeentelijk project dat geïnitieerd is door de stad. Het gegeven dat het [autonoom gemeentebedrijf] beschikt over een eigen rechtspersoonlijkheid doet aan deze conclusie geen afbreuk.

Ten overvloede kan er nog aan toegevoegd worden dat het [autonoom gemeentebedrijf] bezwaarlijk kan beschouwd worden als een instantie die op grond van een autonome bevoegdheid en eigen middelen de betrokken aanvraag heeft ingediend. Evenmin is er sprake van een functionele scheiding tussen de stad en het [autonoom gemeentebedrijf] , zoals bedoeld in de richtlijn 2014/52/EU. De scheiding tussen de stad en het [autonoom gemeentebedrijf] is, zoals hoger al besproken, enkel een vorm van externe verzelfstandiging van beleidsuitvoerende taken van gemeentelijk belang. Bovendien zijn er, zoals eveneens al besproken, overlappingen in de samenstelling van de bestuursorganen van de stad en het [autonoom gemeentebedrijf] .

De burgemeester van de stad is ook voorzitter van de raad van bestuur van het [autonoom gemeentebedrijf] en tevens zijn meerdere bestuurders van het [autonoom gemeentebedrijf] hetzij schepen, hetzij gemeenteraadslid.

De conclusie van de voorgaande bespreking kan enkel zijn dat het college van burgemeester en schepenen oordeelde over een eigen gemeentelijk project en handelde in strijd met artikel 15/1, lid 1 van het Omgevingsvergunningsdecreet.

Het middel is in de aangegeven mate gegrond’.

Het cassatieberoep werd verworpen met arrest nr. 253.651 van 5 mei 2022 waarin te lezen is:

‘Het bestreden arrest dat concludeert dat “het college van burgemeester en schepenen oordeelde over een eigen gemeentelijk project en […] in strijd [handelde] met artikel 15/1, lid 1 van het omgevingsvergunningsdecreet” omdat de stad A. “kan beschouwd worden als mede-aanvrager en initiatiefnemer van het project”, miskent niet de draagwijdte van de voorwaarde in artikel 15/1, eerste lid, 2° van het omgevingsvergunningsdecreet of verruimt niet het toepassingsgebied van deze voorwaarde tot situaties die daar niet in zijn voorzien’.

De gevolgen van deze rechtspraak zijn aanzienlijk en kan rechtsonzekerheid en vertraging veroorzaken doordat telkens de vraag moet worden beantwoord wanneer de vergunningverlenende overheid al dan niet ‘initiatiefnemer’ is.

Bron: Publius