Rundveehouderijen worden als intensieve veeteelt beschouwd. Let op voor de implicaties op het vlak van de MER-screening (Schuermans Advocaten)

Auteur: Schuermans Advocaten

Publicatiedatum: 19/02/2021

Sinds deze maand (februari 2021) worden alle rundveebedrijven aanzien als m.e.r.-plichtig volgens rubriek 1e van bijlage III van het Project-m.e.r.-besluit van 10 december 2004. Alzo staat te lezen in de aangepaste interpretatieve handleiding van het departement Omgeving:

“Alle ingedeelde inrichtingen of activiteiten (IIOA) voor varkens-, pluimvee-, rundvee- en mestkalverhouderijen in Vlaanderen, waarvoor een vergunning (klasse 1 & 2) nodig is, zijn te beschouwen als intensieve veeteeltbedrijven.”

De opvatting dat voortaan “alle” rundveehouderijen intensieve veeteelt zijn, is best merkwaardig.

Het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) van 1 oktober 2020 (nr. RvVb-A-2021-0096), dat als grondslag voor deze nieuwe opvatting wordt aangevoerd, zegt dat helemaal niet.

De RvVb stelde enkel dat noch uit de Europese BREF met betrekking tot intensieve veeteelt, noch uit de bijlagen bij het Project-m.e.r.-besluit blijkt dat intensieve veeteeltbedrijven in alle omstandigheden en ongeacht de aantallen zijn vrijgesteld van een project-MER of een project-m.e.r.-screeningsnota. De Raad ziet hiervoor bevestiging in het gegeven dat de richtinggevende Europese Guidance “Interpretation of definitions of certain project categories of annex I and II of the EIA Directive” niet verwijst naar welbepaalde diersoorten.

Deze rechtspraak noopt o.i. dan ook geenszins tot de conclusie dat alle rundveebedrijven voortaan automatisch onderhevig moeten zijn aan de MER-plicht.

Het komt ons integendeel voor dat nog steeds de criteria van de input van nutriënten op de velden, het niet-grondgebonden karakter, de hoge densiteit aan dieren en de doorgedreven mechanisatie moeten worden getoetst bij de kwalificatie van een rundveebedrijf als intensief, dan wel niet.

Uiteindelijk is het vooral een kwestie voor de vergunningverlenende overheid om in de besluitvorming een zorgvuldige motivering op te nemen in relatie tot de vraag of de aangevraagde hinderlijke inrichting valt onder de MER-plicht of niet. Dat is vooral de les van het besproken arrest van de RvVb en dat wordt ook bevestigd in een later arrest van de RvVb 19 november 2020 (nr. RvVb-A-2021-0293) waarin het de uitbreiding van een rundveebedrijf betrof.

Lees hier het originele artikel