Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Bouwcontracten:
20 (problematische) clausules
Mr. Jens Rediers en mr. Jef Feyaerts (Schoups)
Webinar op vrijdag 3 juli 2026
Boek 7 BW.
Een praktische checklist voor ondernemingen
Prof. dr. Thijs Tanghe en mr. Tijl Eggers (Eubelius)
Webinar op donderdag 2 juli 2026
Koop-verkoop van onroerend goed:
obstakels uit de praktijk
Mr. Jérémy Vanderheyde en mr. Karel Veuchelen
(Scale / Schoups)
Webinar op donderdag 19 november 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker ons jaarabonnement
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Raad van State legt bom onder vergunningsprojecten: of hoe een bestemmingsstrijdige wegenis een enfant terrible is geworden (GD&A Advocaten)
Auteur: Dylan Vercammen (GD&A Advocaten)
In het langverwachte arrest van de Raad van State van 12 januari 2026 (nr. 265.386) wordt verduidelijkt wat onder de vereiste van artikel 12, §2, eerste lid van het Decreet Gemeentewegen, en dan in het bijzonder de zinsnede ‘kadert binnen de realisatie van de bestemming van de gronden’, begrepen moet worden. Deze uitspraak markeert een keerpunt in de toepassing van de geïntegreerde rooilijnprocedure en heeft verregaande gevolgen voor de vergunningspraktijk waarin wijzigingen aan het gemeentelijk wegennet worden opgenomen.
Achtergrond van de procedure
De uitspraak in kwestie is gesitueerd binnen een vergunningsaanvraag voor de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg voor een bedrijvenzone. Deze wegenis in kwestie zou cfr. het geldende gewestplan lopen doorheen industriegebied, natuurgebied (o.a. een habitatrichtlijngebied) en agrarisch gebied.
Gelet op een mogelijk significant effect op het habitatrichtlijngebied (en agrarisch gebied), werd een impactstudie toegevoegd aan het dossier met een beoordeling van de ruimtelijke inpasbaarheid, ruimtelijke impact en een passende beoordeling. Waarin, niet onbelangrijk, geconcludeerd werd dat de wegenis aanvaardbaar en inpasbaar was.
In de vergunningsaanvraag werd vervolgens toepassing gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.7 VCRO (handelingen van algemeen belang met beperkte ruimtelijke impact) om de wegenis aan te leggen.
De gemeenteraad diende zich hierover navolgend uit te spreken binnen haar beoordeling over de ‘zaak van de wegen’ en keurde de geplande wegenis goed.
Nadat tegen deze gemeenteraadsbeslissing een administratief wegenberoep werd ingesteld, hetgeen verworpen werd door de bevoegde Vlaamse Minister, volgde een beroep bij de Raad van State.
Raad van State volgt argumentatie verzoekers
De Raad van State verduidelijkt in zijn arrest dat de voorwaarde van artikel 12, §2, eerste lid Decreet Gemeentewegen – namelijk dat de wijziging moet “passen in het kader van de realisatie van de bestemming van de gronden” – een zelfstandige wettigheidsvereiste vormt die door de gemeenteraad moet worden beoordeeld.
Cruciaal (en meer verregaand) stelt de Raad van State zelfs dat deze zelfstandige voorwaarde getoetst moet worden door de gemeenteraad, zonder rekening te houden met de afwijkingsmogelijkheden binnen het omgevingsrecht. Dit aangezien de voorwaarde van artikel 12, §2, eerste lid Decreet Gemeentewegen ‘losstaat van de wettigheid van de omgevingsvergunning’.
Tot slot verduidelijkt de Raad ook dat de eventuele bestemmingsstrijdigheid enkel een beperking betreft voor het toepassen van de ‘geïntegreerde’ rooilijnprocedure en bijgevolg niet verhindert dat de ‘reguliere rooilijnprocedure’, opgenomen in artikel 16 e.v. van het Decreet Gemeentewegen, wordt doorlopen.
Praktische implicaties voor besturen (en aanvragers)
Het standpunt van de Raad wijkt af van het eerdere standpunt van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb 13 januari 2022, nr. A-2122-0342.) waarin de onverenigbaarheid met een geldende gewestplanbestemming geen hinderpaal vormde voor de toepassing van de ‘geïntegreerde’ procedure.
Het arrest heeft meteen ingrijpende gevolgen voor de dagelijkse praktijk binnen de vergunningsverlening, aangezien dit ook van toepassing is op lopende vergunningsprojecten en relevant is voor toekomstige projecten.
Immers dient de gemeenteraad de toepassing van artikel 4.4.7 VCRO (en andere afwijkingsmogelijkheden) klaarblijkelijk volgens de Raad buiten beschouwing te laten en dient zij de ‘zaak van de wegen’ te weigeren.
Bovendien betekent dit dat de toetsingsbevoegdheid van de gemeenteraad uitgebreid wordt en er ook een controle door de gemeenteraad moet plaatsvinden of de voorziene wegenis past binnen de geldende bestemmingsvoorschriften. Dit terwijl dergelijke bestemmingstoets voordien aan de vergunningverlenende overheid werd voorbehouden.
Projecten die voorheen via de ‘geïntegreerde’ procedure konden worden afgehandeld, zullen nu in veel gevallen moeten uitwijken naar de reguliere rooilijnprocedure van de artikelen 16 tot 19 van het Decreet Gemeentewegen. Hetgeen de doorlooptijd van een beoogd project zal verzwaren (de doorlooptijd is ca. vier maanden), waarbij aanvragers ook volledig afhankelijk worden van de gemeenten die hiervoor over het initiatiefrecht beschikken.
Dit betekent dat de door het Decreet Gemeentewegen beoogde efficiëntiewinsten voor een aanzienlijk deel verloren dreigen te gaan. Mogelijks kan een hersteldecreet zoals reeds werd aangekondigd door de bevoegde Minister hiervoor een oplossing bieden.
Aanbevelingen voor de praktijk
Gemeenten en projectontwikkelaars worden thans verplicht om de lopende en toekomstige projecten te herevalueren en in dialoog te treden, aangezien voor dergelijke projecten uitgeweken moet worden naar de ‘reguliere’ rooilijnprocedure of een aanpassing zich opdringt.
Voor lopende projecten verdient het aanbeveling om te evalueren of het vergunningsconcept nog gewijzigd kan worden (evt. met organisatie van een nieuw openbaar onderzoek), voor nieuwe projecten wordt een meer conservatieve benadering aanbevolen.
De geïntegreerde procedure blijft weliswaar mogelijk wanneer de wegeniswijziging volledig past binnen homogene bestemmingszones die overeenstemmen met het beoogde project. Bij enige twijfel over bestemmingsconformiteit verdient de reguliere rooilijnprocedure de voorkeur, ondanks de langere doorlooptijd.
Waarbij verdere afstemming met de ruimtelijke planologische situatie beoordeeld moet worden, waarbij ook bijzondere aandacht dient uit te gaan naar geldende bestemmingsvoorschriften binnen BPA’s en RUP’s.
Bron: GD&A Advocaten
» Bekijk alle artikels: Bouw & Vastgoed














