Proportionele vermindering van onroerende voorheffing (KPMG)

Auteurs: Charlotte Vandepitte en Julien Decin (KPMG)

Naar aanleiding van de verplichte sluiting van tal van handelspanden, sportcentra, bedrijfsuitrustingen en horecazaken berichtten we reeds vorig jaar omtrent de mogelijkheid om een proportionele vermindering van de onroerende voorheffing aan te vragen wegens de improductiviteit van uw pand/materieel en outillage gedurende minstens 90 dagen.1 De algemene principes om deze vermindering te verkrijgen kunt u in ons artikel over de onroerende voorheffing in corona-tijden nalezen.

Eén van de voorwaarden om deze vermindering te verkrijgen is dat het onroerend goed ‘niet gemeubileerd’ mag zijn tijdens de periode van inactiviteit. Een voorwaarde die voor de nodige onduidelijkheid zorgde bij ondernemingen waar machines en andere roerende goederen in hun onderneming bleven staan tijdens de periode van inactiviteit. We kaartten deze onduidelijkheid reeds aan en met verwijzing naar ons gepubliceerde artikel werd deze problematiek voorgelegd aan Vlaams minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed Matthias Diependaele.

De minister schenkt nu klare wijn en verduidelijkt hoe het begrip zal worden beoordeeld. In antwoord op een vraag om uitleg heeft de minister formeel bevestigd dat het feit dat in het onroerend goed machines en andere roerende goederen aanwezig waren die normaal voor de uitbating worden gebruikt, op zich geen reden vormt tot afwijzing van de proportionele vermindering. Hierbij werd het voorbeeld aangehaald van evenementenhallen, bioscoopzalen, cafés en restaurants die verplicht hun deuren hebben moeten sluiten. Hoewel er in de meeste gevallen tijdens de sluitingsperiode tribunes, podia, tafels, stoelen of een toog bleven staan, komen zij toch in aanmerking voor de proportionele vermindering van de onroerende voorheffing (althans voor zover de overige voorwaarden eveneens vervuld zijn).

De termijnen om een proportionele vermindering van onroerende voorheffing aan te vragen verschillen per gewest. De berekening van de termijn is gebaseerd op de verzenddatum die vermeld is op het aanslagbiljet (drie maanden na verzending van het aanslagbiljet), met als ultimum 31 maart dat volgt op het aanslagjaar waarvoor de vermindering wordt aangevraagd (in Vlaanderen). Als het aanslagbiljet niet in het aanslagjaar zelf is verzonden, blijft de bezwaartermijn van drie maanden na verzending van het aanslagbiljet van toepassing.

Bron: KPMG Law