Procedure met korte debatten niet onwettig, aldus de Raad voor Vergunningsbetwistingen (Publius)

Auteur: Dirk Van Heuven (Publius)

Publicatiedatum: 17/03/2021

Verzoekende partij verzette zich tegen de behandeling in korte debatten omdat ze niet wist waarom korte debatten in deze kunnen volstaan (kennelijk onontvankelijk, kennelijk ongegrond, kennelijk gegrond?). Ze stelde geen kennis te hebben van de standpunten van andere procespartijen en verbindt daaraan de conclusie dat ze haar procesvoering niet met kennis van zaken kan organiseren. In de nota in het kader van de versnelde procdure met korte debatten werd dan ook niets nieuws geschreven.. Dit zou de wapengelijkheid tussen partijen, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM schenden. Verder voerde verzoekende partij aan dat ze als gevolg van de behandeling in de korte debatten de kans verloor om schriftelijk te reageren op de antwoordnota van verwerende partij en dus niet het laatste geschreven woord heeft zoals in de gewone procedure. Aansluitend meent ze te worden gediscrimineerd in vergelijking met de verzoekende partij een vereenvoudigde procedure die volgens haar immers wel weet (en moet weten) waarom deze procedure wordt gevolgd. Verzoekende partij vroeg om artikel 59/2 van het Procedurebesluit van de RvVb buiten toepassing te laten.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen verwerpt dit argument in het arrest nummer RvVb-A-2021-0704 van 25 februari 2021:

In zoverre de verzoekende partij zich gediscrimineerd voelt ten aanzien van een verzoekende partij wiens vordering wordt behandeld via de vereenvoudigde procedure, dan wel via de gewone procedure, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende proceduregels in verschillende omstandigheden op zich geen discriminatie inhoudt. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

De verzoekende partijen waarvan de vordering wordt behandeld via de vereenvoudigde procedure zien zich geconfronteerd met het feit dat hun vordering, om een of meerdere van de redenen die limitatief zijn opgesomd in artikel 59/1 Procedurebesluit, niet aan verder onderzoek en tegenspraak zal worden onderworpen. Overeenkomstig voormelde bepaling vermeldt de beschikking om welke limitatief opgesomde reden het beroep via de vereenvoudigde procedure wordt behandeld en wordt de verzoekende partij de mogelijkheid geboden om een verantwoordingnota in te dienen.

In tegenstelling tot de vereenvoudigde procedure, is de procedure in korte debatten niet in een limitatief opgesomd aantal gevallen van toepassing. Artikel 59/2, §1, 1° Procedurebesluit bepaalt in die zin dat in de beschikking wordt vastgesteld ‘dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist’. Zoals hiervoor reeds werd aangegeven impliceert deze vaststelling louter dat de zaak op relatief gemakkelijke wijze kan worden beslecht en een behandeling overeenkomstig de gewone rechtspleging geen meerwaarde biedt. De partijen kennen dus de reden waarom een zaak voor de behandeling in korte debatten in aanmerking wordt genomen. Het antwoord op de vraag of een beroep kan worden behandeld via korte debatten dan wel veeleer gebaat is bij een behandeling met de gewone rechtspleging, staat of valt overigens niet met het feit of deze of gene partij haar eigen standpunt bevestigd ziet.

Voorts moet worden opgemerkt dat het loutere feit dat de verzoekende partij in het kader van de korte debatten niet beschikt over de mogelijkheid om schriftelijk te reageren op de antwoordnota of schriftelijke uiteenzetting van de andere procespartijen, in vergelijking met de gewone procedure, op zich geen schending inhoudt van de wapengelijkheid tussen de partijen, noch van het gelijkheidsbeginsel.
Gelet op het gegeven dat de partijen via een nota de mogelijkheid hebben om hun standpunten te uiten, zowel ten aanzien van de vaststelling dat de zaak voor korte debatten in aanmerking komt, als ten aanzien van de middelen die in de beschikking worden aangegeven, alsook de mogelijkheid hebben om op een zitting hun standpunten mondeling toe te lichten met kennis van de nota’s die zijn ingediend, is er van de onevenredige beperking van hun rechten geen sprake’.

Tegen de uitspraak wordt cassatieberoep aangetekend bij de Raad van State.

Lees hier het originele artikel