Summer Deal
‘Bouw – Actualia’

7 webinars on demand

Summer Deal
‘Bouw – Aansprakelijkheid’

4 webinars on demand

Summer Deal
‘Het nieuwe goederenrecht’

6 webinars on demand

Privaatrechtelijke erfdienstbaarheden in het oud en nieuw Burgerlijk Wetboek

Webinar on demand

Het nieuwe goederenrecht en de vastgoedpraktijk – 10 relevante nieuwigheden onder de loep

Webinar on demand

50 jaar Wet Breyne – Een overzicht aan de hand van rechtspraak

Webinar on demand

Planschade en 50 meter: een nieuw twistpunt verduidelijkt (Gevaco Advocaten)

Auteur: Lars Motmans (Gevaco Advocaten)

Ook voor woonuitbreidingsgebied geldt de beperking van art 2.6.3.1, §3 ,4° VCRO. Hierdoor komt enkel het gedeelte van een perceel in woonuitbreidingsgebied dat binnen de vijftig meter van de rooilijn gelegen is in aanmerking voor planschadevergoeding.

 De van toepassing zijnde rechtsnorm

Op 17 februari 2022 sprak het Grondwettelijk Hof zich met een arrest van 17 februari 2022 (nr. 27/2022) uit over een prejudiciële vraag van de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg, afdeling Tongeren.

De bepaling die ter discussie stond, was art. 2.6.1, §3, 4° VCRO die luidt als volgt:

“Voor de toepassing van planschadevergoeding moet bovendien aan volgende criteria samen worden voldaan op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve plan:

(…)

4° in gebieden die ressorteren onder de gebiedsbestemming `woongebied’, vermeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, of die ressorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding `wonen’, vermeld in artikel 2.2.6, § 2, tweede lid, 1°, komt enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking voor planschade.”

Deze bepaling beperkt de toekenning van een planschadevergoeding voor eigendommen gelegen in ‘woongebied’ of de categorie van gebiedsaanduiding ‘wonen’ tot de eerste 50 meter.

Een planschadevergoeding is een vergoedingsmechanisme door de Vlaamse decreetgever voorzien, voor situaties waarbij op basis van een in werking getreden Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) een perceel niet meer in aanmerking komt voor een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden, terwijl het de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat definitieve plan wel in aanmerking kwam voor een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden.

Artikel 2.6.1, §3, 4° VCRO voorziet dat in gebieden die ressorteren onder de bestemmingszone ‘woongebied’ of die ressorteren onder de categorie ‘wonen’ enkel de eerste 50 meter voor een vergoeding voor planschade in aanmerking komt.

Waarom een prejudiciële vraag?

Een RUP kan er voor zorgen dat een perceel plots niet meer in aanmerking komt voor vergunning doordat er een bouw- of verkavelingsverbod uit voortvloeit. Dat heeft vaak een grote financiële impact op uw percelen. Het is dus noodzakelijk dat niet alleen een juiste interpretatie van een wetsnorm wordt gehanteerd, maar dat ook wordt nagegaan of die interpretatie in overeenstemming is met de hogere rechtsnormen.

In een arrest van 2016 sprak het Grondwettelijk Hof zich al eerder uit omtrent de verenigbaarheid van het toenmalige art. 2.6.1, §3, 4° en art 2.6.2 VCRO met de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet (GW) en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EAP EVRM). Ten tijde van dit arrest gold de zogenaamde ‘vijftigmeterregel’ algemeen, ongeacht de bestemmingszone waarin de percelen gelegen waren.

In de zaak van 2016 handelde de prejudiciële vraag over de grondwettelijkheid van de beperking van de planschadevergoedingsregeling voor percelen gelegen in ‘gebied[en] bestemd voor ambachtelijke bedrijven of voor kleine en middelgrote ondernemingen’. Het Grondwettelijk Hof bevestigde in dat arrest dat de vijftigmeterregel op zichzelf verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel en het recht op eigendom voor percelen in ‘woongebied’, maar dat dit niet per se geldt voor andere bestemmingsgebieden. De regelgever paste daarop de decreettekst aan schreef in dat de vijftigmeterregel  enkel geldt voor percelen in ‘woongebied’ en voor ‘gebieden die onder de categorie wonen’ vallen.

In het recente arrest waar deze bijdrage over gaat, werd de vraag gesteld of deze voorwaarde in zoverre zij ook van toepassing is op ‘woonuitbreidingsgebieden’ de hogervermelde rechtsregels schendt.  Ter duiding, woonuitbreidingsgebieden zijn reservezones om aan zeer specifieke woonnoden tegemoet te komen of om bijkomende woningen te realiseren als het reeds bestemde woongebied ontoereikend blijkt en kent daarnaast specifieke vereisten om hierop een project te ontwikkelen. Het gaat vaak om grote aaneengesloten (binnen)gebieden zodat een beperking van een planschadevergoeding tot de eerste vijftigmeter vanaf de rooilijn een grote financiële impact zou hebben.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof

In haar arrest verwijst het Grondwettelijk Hof naar de parlementaire overweging van het Vlaams Parlement die stelt (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1149/1, p. 81):

“door de verwijzing naar art. 5 van het KB van 1972 gaat het om woongebieden in de ruime zin, d.w.z. dat “gewone” woongebieden maar bijv. ook landelijk woongebied, woonparken e.d. er onder vallen, én ook de woonuitbreidingsgebieden (in de mate dat voor dergelijk gebied een planschadevergoeding zou kunnen worden verkregen);”

Vervolgens maakt het Grondwettelijk Hof in een vrij summiere paragraaf de beoordeling dat vermits in woonuitbreidingsgebieden het accent op het wonen ligt, de decreetgever vermocht te oordelen dat de gronden gelegen in die gebieden (m.n. woongebieden in ruime zin en dus ook woonuitbreidingsgebieden) niet het voorwerp dienen uit te maken van een vergoeding voorbij vijftig meter vanaf de rooilijn.

De in het geding zijnde beperking van de planschadevergoeding legt dan ook – zo stelt het Grondwettelijk Hof – geen onevenredige last op aan de eigenaars van bouwgronden in woonuitbreidingsgebieden.

Het is het zoveelste arrest in rij omtrent de planschadevergoedingsregeling. Zowel het Grondwettelijk Hof als het Hof van Cassatie hebben meermaals duiding moeten geven bij de decreettekst. Het is vervolgens aan de rechters in eerste en laatste aanleg om concreet de voorwaarden toe te passen en de berekening van de planschadevergoeding te maken.

Bron: Gevaco Advocaten