Nieuwe afstandsregels beplantingen en snoeiing van overhangende takken doorstaan grondwettelijke toetsing (aternio)

Auteur: Julie Lenaerts (aternio)

Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek houdende het nieuwe goederenrecht omvat een nieuwe regeling inzake de afstand van beplantingen en het rooien of snoeien van overhangende takken en doorschietende wortels. De voorgaande regeling in het Veldwetboek werd hierdoor opgeheven. Het Grondwettelijk Hof heeft het vernietingsberoep van een aantal natuurorganisaties bij arrest dd. 21 oktober 2021 afgewezen.

Situering

Voorheen waren de regels over de afstanden van beplantingen en overhangende takken opgenomen in het Veldwetboek. Het openbaar domein viel echter niet onder de toepassing van deze regels.

De nieuwe regels staan voortaan in artikel 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek en luiden als volgt:

Art. 3.133. Afstanden van beplantingen

“Alle beplantingen moeten minimaal op de hierna bepaalde afstanden van de perceelsgrens staan, tenzij indien partijen hierover een contract hebben gesloten of indien de beplantingen al meer dan dertig jaar op dezelfde plaats staan.

De in het eerste lid bedoelde afstand bedraagt voor bomen die minstens twee meter hoog zijn, twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de andere bomen, struiken en hagen een halve meter. De nabuur kan de snoeiing of rooiing eisen van de beplantingen die op een kortere afstand zijn aangebracht, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang. De nabuur kan zich evenwel niet verzetten tegen de aanwezigheid van beplantingen die niet hoger reiken dan de afsluiting tussen de percelen. Gaat het in dat geval om een niet-gemene afsluiting, dan heeft de eigenaar het recht deze als steun voor zijn beplantingen te gebruiken.”

Art. 3.134. Overhangende takken en wortels

“Indien een eigenaar van beplantingen waarvan de takken of wortels doorschieten over de perceelsgrens, nalaat de doorschietende takken of wortels te verwijderen binnen zestig dagen na een ingebrekestelling per aangetekende zending van de nabuur, kan deze laatste eigenmachtig, op kosten van de eigenaar van de beplantingen, deze takken of wortels wegsnijden en zich toe-eigenen.

Als de nabuur het doorschietende zelf wegsnijdt, draagt hij zelf het risico voor de schade die hij aan de beplantingen toebrengt. Hij kan eveneens eisen dat de eigenaar dit wegsnijdt, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang. Het recht om de verwijdering te eisen, kan niet uitdoven door verjaring.

Vruchten die op natuurlijke wijze van de bomen op een aanpalend onroerend goed vallen, behoren toe aan degene die het genot van dit laatste onroerend goed heeft.”

Voornaamste vernieuwing van deze regeling bestaat in het feit dat:

  1. openbare domeingoederen niet uitgesloten zijn;
  2. de nabuur niet enkel de rooiing maar voortaan ook de snoeiing kan vragen;
  3. dit mogelijk is zodra de afstandsregels niet werden nageleefd los van het leerstuk van de bovenmatige burenhinder;
  4. de nabuur bij gebreke aan spontane remediëring zelf tot actie mag overgaan.
Aangevoerde middelen tot vernietiging

Vlak na de inwerkingtreding van het nieuwe goederenrecht op 1 september 2021 hebben een aantal natuurverenigingen de krachten gebundeld. Zij dienden quasi meteen een verzoekschrift tot nietigverklaring van de nieuwe regeling in.

Hun argumentatie is samen te vatten in de volgende drie middelen:

  1. De nieuwe (federale) regeling schendt de bevoegdheidsregels omdat zij inwerkt op de gewestelijke bevoegdheid inzake de inrichting en het beheer van het openbaar domein;
  2. Er wordt geen onderscheid gemaakt  naargelang de perceelsgrens zich tussen twee private percelen bevindt, dan wel één van die percelen tot het openbaar domein behoort terwijl het onderscheid tussen privaat en openbaar domein wel een onderscheid rechtvaartigt;
  3. Er is geen overgangsregeling voorzien. Hierdoor kunnen naburen onmiddellijk zelf tot snoeiing van overhangende takken overgaan. Zij kunnen ook de rooiing van verkeerd op het openbaar domein geplaatste bomen vragen. Dit alles zelfs als die takken of bomen er al van voor de inwerkingstreding van het nieuwe goederenrecht waren;
  4. De nieuwe regeling brengt een aanzienlijke achteruitgang in de grondwettelijke bescherming van een gezond leefmilieu met zich mee. Deze achteruitgang is niet te verantwoorden vanuit het algemeen belang.
Beoordeling

Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat geen van voormelde argumenten kan overtuigen.  Het Hof heeft het verzoek tot vernietiging van de nieuwe regeling afgewezen. Zij overwoog daarbij het volgende:

Bevoegdheidsregels

Wat de bevoegdheidsverdeling betreft, wijst het Hof op de algemene bevoegdheid van de federale overheid inzake het burgerlijk recht. De federale overheid is bevoegd, ongeacht het feit of andere overheden in het kader van hun bevoegdheden eveneens maatregelen inzake de materie kunnen nemen. De federale overheid moet er wel over waken dat zij de uitoefening van de gewestbevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt.

Het Hof oordeelt dat dit niet het geval is. Het nieuwe goederenrecht voorziet niet in een afbreuk aan bijzondere bepalingen, van toepassing op bepaalde goederen. De gewesten kunnen dus nog steeds specifieke bepalingen aannemen die afwijken van de algemene regeling voorzien in het nieuwe boek 3.

Bovendien vestigt het Hof de aandacht op het feit dat ook artikel 3.133 en 3.134 zelf in bescherming voorzien. De regeling vindt slechts toepassing op domeingoederen “in de mate dat zulks aan de openbare bestemming van het goed niet in de weg staat”. In die zin beschermt de wet de domeingoederen al op zichzelf, zonder dat specifieke beschermingsmaatregelingen van de gewesten vereist zijn.

Onderscheiden regeling naargelang privaat dan wel openbaar domein

Hierover overweegt het Hof dat ook hier de artikelen 3.133 en 3.134 zelf wel degelijk rekening houden met het verschil tussen openbare domeingoederen en andere goederen. Er dient namelijk eerst te worden nagegaan of “zulks aan de openbare bestemming van dat goed in de weg staat”. Enkel wanneer dit niet het geval is, moeten de op de openbare domeingoed aangebrachte beplantingen de minimale afstanden respecteren. Alleen dan kan een nabuur recht doen gelden op de snoeiing of rooiing.

Bovendien moet, wannneer de rooiing of snoeiing wordt gevorderd, de rechter nog steeds nagaan of er geen sprake is van rechtsmisbruik. De rechter dient hierbij met alle omstandigheden en dus ook met het algemeen belang rekening te houden.

Gebrek aan overgangsregeling

Het Hof hekelt hier de verkeerde lezing van de overgangsbepalingen. De nieuwe regeling is namelijk slechts van toepassing op de rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na 1 september 2021. Het aanbrengen van beplantingen kwalificeert als dergelijk rechtsfeit.

Aangezien de nieuwe regeling wel degelijk enkel “nieuwe” beplantingen viseert, is het niet onrechtvaardig dat deze regeling onmiddellijk uitwerking krijgt.  Evenmin dat de oude regels uit het Veldwetboek onmiddellijk werden opgeheven. De oude regels blijven namelijk van toepassing op de beplantingen die voor 1 september 2021 werden aangebacht.

Bescherming leefmilieu

Vroeger konden naburen die zich benadeeld voelden door beplantingen op het openbaar domein slechts de rooiing verkrijgen indien dit abnormale burenhinder uitmaakte. Vandaag zou dit al kunnen zodra vaststaat dat de afstandsregels niet gerespecteerd zijn. Dit zou leiden tot een verlies aan openbaar groen terwijl dit grondwettelijke bescherming geniet. Eenieder heeft namelijk recht op de bescherming van een gezond leefmilieu.

Het Hof volgt deze redenering niet:

  1. Zij herhaalt dat de nieuwe regeling enkel toepassing vindt op openbare domeingoederen voor zover zulks de openbare bestemming van het goed niet in de weg staat. Dit zal doorgans wel het geval zijn bij bermbeplantingen.
  2. Als de openbare bestemming de regeling wel toelaat, dan is er nog steeds de bescherming van het verbod op rechtsmisbruik.
  3. Bovendien mag de nabuur zelfs wanneer voldaan is aan voormelde voorwaarden niet zonder meer zelf tot snoeiing of rooiing overgaan. Hij is verplicht de eigenaar van het naburig perceel eerst in gebreke te stellen. Men kan zelf slechts tot actie overgaan na een wachttermijn van 60 dagen. De overheid beschikt dus over een redelijke termijn om zich voor de rechtbank hiertegen te verzetten.
Conclusie

Samengevat oordeelt het Hof dat het nieuwe goederenrecht voldoende bescherming biedt aan het openbaar domein. Het gaat niet om een toelating tot het zonder meer wildkappen door ontevreden naburen van reeds lang verkeerd geplaatste bomen of overhangende takken van openbare percelen. Anderzijds brengt de nieuwe regeling ook voor de private nabuur enige versoepeling met zich mee. Hij hoeft namelijk niet langer aan te tonen dat hij abnormaal gehinderd wordt door deze beplantingen. Wanneer ze op een verkeerde afstand van zijn perceel staan kan hij een vordering instellen. Deze vordering kan succesvol zijn indien:

  1. hiermee de openbare bestemming van het openbaar perceel niet in het gedrang komt;
  2. het verzoek tot rooiing of snoeiing geen rechtsmisbruik uitmaakt.

In welke mate deze in se kleine versoepeling tot een ware toestroom aan dergelijke vorderingen zal leiden, zal de toekomst moeten uitwijzen.

Bron: aternio