Minder bouwperikelen dankzij de nieuwe Pandwet? (Monard Law)

Auteur: Annemie Snick (Monard Law)

Publicatiedatum: 10/10/2017

Wanneer een hoofdaannemer niet meer in staat is zijn onderaannemers te betalen, dan leidt dit heel vaak tot moeilijke situaties voor alle partijen. De bouwheer wil dat de werken vooruit gaan, de onderaannemer wil zijn geld zien, en de bouwheer wil weten aan wie hij moet en mag betalen.  De wetgever nam in het verleden reeds verschillende maatregelen. De nakende inwerking treding van de nieuwe Pandwet uit 2013 brengt meer duidelijkheid voor de bouwheer.  Lees meer hier.

Rechtstreekse vordering

De wetgever heeft in 1990 de rechtstreekse vordering in het leven geroepen teneinde de onderaannemer te beschermen tegen het onvermogen van de hoofdaannemer (art. 1798 B.W.)

Stel, een onderaannemer wil zijn schulden betaald zien en richt zich rechtstreeks tot de bouwheer in plaats van tot de hoofdaannemer. Hij doet dat door middel van een aangetekend schrijven. In dat geval kan de bouwheer niet meer bevrijdend betalen aan de hoofdaannemer. Indien de bouwheer toch de hoofdaannemer betaalt, dan riskeert hij de werken een tweede maal te moeten betalen aan de onderaannemer.

Maar, wanneer de schuldvordering van de onderaannemer door de hoofdaannemer betwist wordt, heeft dit vaak tot  gevolg dat de door de onderaannemer aangesproken bouwheer niet echt geneigd is om de schuldvordering van de onderaannemer zomaar te betalen. Door niet te betalen riskeert de bouwheer  echter wel  te moeten opdraaien voor nalatigheidsintresten en schadebedingen en bestaat bovendien de kans dat de uitvoering van de werken wordt geschorst. De bouwheer bevindt zich daardoor duidelijk in een zeer moeilijke situatie.
De nieuwe Pandwet van 11 juli 2013

Om deze ongunstige gevolgen voor de bouwheer te vermijden, heeft de nieuwe Pandwet van 11 juli 2013 (B.S. 2 augustus 2013) een extra lid toegevoegd aan het artikel 1798 van het burgerlijk wetboek. Dit lid bepaalt dat in geval van betwisting tussen de onderaannemer en de hoofdaannemer over de schuldvordering van de onderaannemer op de hoofdaannemer, de bouwheer het bedrag van de schuldvordering kan storten in de Deposito- en Consignatiekas of op een geblokkeerde rekening van de onderaannemer en de hoofdaannemer bij een bank.

De bouwheer is daartoe zelfs verplicht indien hij daartoe schriftelijk wordt verzocht door de hoofdaannemer of de onderaannemer.

Een dergelijke betaling in de Deposito-en Consignatiekas of op een geblokkeerde rekening heeft een bevrijdend karakter, zowel ten opzichte van de hoofdaannemer als van de onderaannemer. Deze zullen vervolgens via een procedure voor de Rechtbank of via onderhandelingen moeten uitmaken aan wie van hen beiden de geconsigneerde som toekomt.

De nieuwe Pandwet heeft verder ook de cassatierechtspraak, die een einde heeft gesteld aan de jarenlange betwisting m.b.t. de vraag of de rechtstreekse vordering nog kan worden ingesteld na het faillissement van de hoofdaannemer, in de wetgeving opgenomen door aan het artikel 20,12 van de hypotheekwet een derde lid toe te voegen. Dat voorziet uitdrukkelijk dat de rechtstreekse vordering niet meer kan worden ingesteld na het ontstaan van de samenloop (faillissement, vereffening van de hoofdaannemer).

Ingevolge art. 33, 3de lid van de WCO-wet kan de rechtstreekse vordering echter wel nog na het vonnis dat de gerechtelijke reorganisatie van de hoofdaannemer open verklaart, worden ingesteld door de onderaannemer.

In geval van faillissement van de hoofdaannemer kan de onderaannemer enkel nog een voorrecht laten gelden op de aannemingsprijs die door de bouwheer verschuldigd is aan de hoofdaannemer en dit gedurende vijf jaar na de datum van zijn factuur.

Dit in 1990 gecreëerde voorrecht had aanvankelijk enkel betrekking op schuldvorderingen  die betrekking hadden op werken aan het gebouw van de bouwheer, dus op werken in verband met onroerende goederen.

De nieuwe Pandwet van 11 juli 2013 bepaalt nu dat het voorrecht voorzien in art. 20,12 van de Hypotheekwet, ook geldt voor schuldvorderingen van onderaannemers met betrekking tot  andere werken dan louter werken aan het gebouw van de bouwheer (bv  leveringen van speciaal gefabriceerde materialen).

Het toepassingsgebied van de rechtstreekse vordering en het voorrecht van de onderaannemer is dus niet meer verschillend en betreft dus elke onderaanneming zowel deze m.b.t.onroerende goederen als deze m.b.t. roerende goederen.

Alwaar de nieuwe Pandwet voorzag dat ze in werking zou treden op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2017, is de Pandwet tot op heden nog niet in werking getreden.

In de wet van 25 december 2016 houdende een aantal wijzigingen aan de nieuwe Pandwet is thans voorzien dat ze uiterlijk op 1 januari 2018 in werking zal treden.

Lees hier het originele artikel