Hoeveel vrijheid geeft Europa aan lokale besturen bij het definiëren van winkelzones? (Monard Law)

Auteur: Thomas Christiaens en Wouter Moonen (Monard Law)

Publicatiedatum: 21/02/2018

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in een arrest van 30 januari 2018 geoordeeld dat de Europese Dienstenrichtlijn van toepassing is op een lokaal bestemmingsplan dat voorschriften voor kleinhandel vastlegt. Een bestemmingsplan van een stad of een gemeente waardoor bijvoorbeeld enkel kleinhandel wordt toegelaten in een bepaald winkelgebied, kan een inperking op de vrijheid van vestiging en diensten inhouden en dus in strijd zijn met de wet.

Het arrest van het Hof volgt op de prejudiciële vraag van de Nederlandse Raad van State, die zich moest buigen over de wettigheid van een bestemmingsplan dat kleinhandelsbeperkingen oplegt. De uitspraak van het Hof van Justitie is van belang voor het kleinhandelsbeleid van (lokale) overheden. De toepassing van de Dienstenrichtlijn is namelijk een beperking op de beleidsvrijheid van overheden op het vlak van kleinhandel.

Achtergrond

Het onderliggend geschil voor de Nederlandse Raad van State gaat over een bestemmingsplan dat het Woonplein aan de rand van de gemeente Appingedam inricht. Het plan richt het Woonplein in als een winkelgebied voor “omvangrijke detailhandel” (zoals meubels, keukens en bouwmaterialen). Volgens het bestemmingsplan is de verkoop van kleinere goederen (zoals kleding en schoenen) niet toegelaten.

Een vastgoedbedrijf is het niet eens met deze beperkingen en is van oordeel dat de gemeenteraad in strijd met de Dienstenrichtlijn handelt door in het plangebied alleen detailhandel in omvangrijke goederen toe te staan.

In een arrest van 13 januari 2016 legde de Nederlandse Raad van State een aantal prejudiciële vragen over de draagwijdte van de Dienstenrichtlijn voor aan het Europees Hof van Justitie.

Het oordeel van het Hof van Justitie

Het Hof van Justitie oordeelt in zijn arrest van 30 januari 2018 – in navolging van het standpunt van de Advocaat-Generaal – dat de activiteit bestaande in detailhandel in goederen, voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn, een dienst vormt.

De bepalingen van de Dienstenrichtlijn over de vrijheid van vestiging van dienstverrichters zijn ook van toepassing op een situatie waarvan alle relevante aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, aldus het Hof.

Het Hof oordeelt daarnaast dat een bestemmingsplan dat beperkingen aan het vrij verkeer van diensten oplegt – door kleinhandelsvoorschriften op te leggen – een inperking op de vrijheid van vestiging en diensten inhoudt.

Het Hof vervolgt dat de Dienstenrichtlijn zich niet verzet tegen een dergelijke inperking, mits alle in artikel 15, lid 3, genoemde voorwaarden vervuld zijn. Deze voorwaarden zijn het discriminatieverbod, de noodzakelijkheid en de evenredigheid. Het is volgens het Hof aan de Nederlandse Raad van State zelf om te verifiëren of aan die voorwaarden is voldaan.

Belang van het arrest

Het uitgangspunt dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is op detailhandel is relevant voor de beoordeling van de geldende Belgische wet van 2004 inzake handelsvestigingsvergunningen. Deze auteurs identificeerden in dit verband in een eerdere bijdrage enkele knelpunten in de huidige wetgeving, niet in het minst ingevolge de toepassing van de Dienstenrichtlijn (W. MOONEN en T. CHRISTIAENS, “De wet op de handelsvestigingsvergunningen – Knelpunten anno 2016”, TBO, 2016, nr. 3, 248 e.v.).

In de opmaak van het Vlaams Decreet inzake handelsvestigingen (dat nog niet in werking trad) heeft men rekening gehouden met de toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn. De mogelijkheden voor lokale overheden om kleinhandelszones, kernwinkelgebieden en winkelarme gebieden aan te duiden in ruimtelijke uitvoeringsplannen, die in het nieuwe decreet zijn voorzien, zal alleszins begrensd worden door de beperkingen van de Dienstenrichtlijn, zoals nu ook bevestigd door het Hof van Justitie.

Lees hier het originele artikel