Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Koop-verkoop van onroerend goed:
obstakels uit de praktijk
Mr. Jérémy Vanderheyde en mr. Karel Veuchelen
(Scale / Schoups)
Webinar op donderdag 19 november 2026
Het belangvereiste bij het middel in onteigeningszaken: een rechterlijke spreidstand (Schuermans Advocaten)
Auteur: Schuermans Advocaten
Bij wijze van prejudiciële vraag onderzocht het Grondwettelijk Hof (GwH) of het een discriminatie is dat de gewone rechter in tegenstelling tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) niet kan onderzoeken of de eisende partij nadeel lijdt door de argumenten die hij tegen het definitieve onteigeningsbesluit aanvoert. Zo kan enkel de RvVb het kwestieuze argument verwerpen als de eisende partij niet wordt benadeeld door die beweerde onwettigheid.
De lezer wordt herinnerd aan de regel van de ‘belangenschade’ die bij de RvVb inhoudt dat een wetschending, behalve in het geval van openbare orde, geen tot vernietiging van de aangevochten beslissing leidt als de eisende partij daardoor niet wordt benadeeld. Merk daarbij ook op dat die partij niet alsnog wordt geacht te kunnen worden benadeeld in zoverre de aangevoerde wetschending mogelijk tot vernietiging doet besluiten.
In een nogal vreemde redenering concludeerde het GwH dat er geen onverantwoord verschil in behandeling is omdat de rechterlijke bevoegdheid van de RvVb en de gewone rechter niet parallell maar opeenvolgend is.
Het GwH wijst er daarmee op dat elke onteigenende instantie die tot onteigening wil overgaan, nu eenmaal de gerechtelijke fase voor de vrederecht moet aanvatten. Die rechter zal dan desnoods ambtshalve de wettigheid van de onteigening moeten beoordelen.
Fijntjes zal u opmerken dat het GwH zich aldus niet uitspreekt over de vraag of er ook een vereiste van belangenschade bij de gewone rechter behoort te zijn, bij gebreke waaraan er sprake zou zijn van een discriminatie.
Enerzijds kan u zich de vraag stellen of dit andermaal uitdrukt dat het GwH een zeer koele minnaar is van de belangenschade-eis. De overwegingen uit de eerdere arresten van 5 juli 2018 (nr. 87/2018) en 11 april 2023 (nr. 59/2023), waarin het GwH grote beperkingen aan die eis stelde, vormen ter zake een indicatie.
Anderzijds moet ook worden vastgesteld dat de RvVb slechts zelden besluit tot de onontvankelijkheid van een ingeroepen wetschending.
Bron: Schuermans Advocaten
» Bekijk alle artikels: Bouw & Vastgoed










