Evolutie in de aansprakelijkheid van de architect? (Odigo Advocaten)

Auteurs: Lissa Cloet en Xavier D’Hulst (Odigo Advocaten)

Publicatiedatum: 28/04/2021

In de huidige tijdsgeest is een algemene evolutie aan de gang waarbij nauwer wordt toegekeken of partijen op passende wijze hun verplichtingen nakomen. In deze evolutie ontsnapt ook de architect niet aan zijn aansprakelijkheid. Waar de architect – zoals bij veel vrije beroepen – genoot van een nogal zachte toepassing van zijn aansprakelijkheid als architect, bemerken we recentelijk een verscherping van de beoordeling ervan. Enkele recente en relevante rechterlijke beslissingen die dat illustreren.


1. Architect garant voor blijvende stabiliteit van het gebouw, ook na 10 jaar

De beperking tot tien jaar voor de aansprakelijkheid van de architect is belangrijk en houdt stand.

De tendens van verscherping toont zich door het wat anders appreciëren van de termijn van tien jaar. Vroeger aanzag men dat als een soort vervaltermijn, een termijn waarbinnen nagegaan moet worden of het gebouw geen gebreken vertoont die de stevigheid ervan in het gedrang brengen. Ook reeds in de code Napoleon (1804) beschouwde men de termijn als een verificatietermijn.

Het Hof van Cassatie oordeelde op 11 januari 2019 ook in die zin, maar stelde dat een (in casu) waterinfiltratie beschouwd kan worden als een voldoende ernstig gebrek indien deze infiltratie een aanhoudend karakter vertoont en de draagstructuur van het gebouw in het gedrang brengt of kan brengen.

Het Hof preciseerde dat, om het als gebrek te weerhouden (en het dus de basis zal zijn voor aansprakelijkheid), het niet vereist is dat de stabiliteit geheel of gedeeltelijk in het gedrang komt binnen die tien jaar, maar dat het volstaat dat binnen deze termijn het gebrek aan het licht komt en de stevigheid van het gebouw op korte of langere termijn in het gedrang kan brengen.

Dat lijkt ons een verscherping: de stabiliteit van het gebouw moet niet in het gedrang komen binnen de tien jaar, het volstaat dat sommige vaststellingen binnen de tien jaar een gebrek aantonen, die de stabiliteit kan in het gedrang brengen… waardoor dus de stabiliteit ook na de tien jaar moet gegarandeerd worden.

Kortom, die essentiële verbintenis verplicht de architect de blijvende stabiliteit van het gebouw te garanderen, maar de mogelijkheid om vordering in te stellen is beperkt tot de eerste tien jaren van een gebouw, zelfs als in die termijn de stabiliteit nog niet in het gedrang is gekomen.

Algemeen wordt aangenomen dat de startdatum van de termijn de aanvaarding van de werken, de zogenaamde oplevering, is. Hoewel het dus van cruciaal belang is om vóór deze termijn bepaalde handelingen uit te voeren, werd in het verleden vastgesteld dat de architect bij particuliere opdrachten niet altijd overging tot een oplevering van de uitgevoerde werken – de toepassingsgevallen onder de dwingende woningbouwwet buiten beschouwing gelaten – wat nochtans behoort tot één van zijn deontologische plichten.
In het belang van beide partijen (bouwheer en architect) is het dus wezenlijk van belang dit startpunt contractueel vast te leggen, zeker omwille van de nonchalante praktijk hieromtrent.

2. Controleplicht bij belangrijke en cruciale bouwmomenten

Een andere verplichting van de architect, tijdens de uitvoeringsfase, is de verplichting om regelmatig het bouwwerk te bezoeken en de uitvoering van de werken door de aannemer te controleren (artikel 4 wet 20 februari 1939 op de bescherming van de titel van het beroep van architect en artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek).

Deze controleverplichting werd vroeger niet zo gemakkelijk weerhouden als fout van de architect, de aannemer diende er voor te zorgen. Het was dus niet iets wat men een architect gemakkelijk ten laste legde.

Nochtans stelt men vast dat er nu rechtspraak is die de controleverplichting behoorlijk ernstig neemt.

Het Hof van Beroep te Gent op 29 maart 2019 gaf in eerste instantie wel aan dat de controleplicht van de architect een middelenverbintenis is en dus geen bestendig toezicht of permanentie op de werf inhoudt. De architect staat niet borg voor de goede uitvoering van de aannemingsovereenkomst.

Maar het Hof voegt er verder wel aan toe dat die de architect wel “voldoende controle” moet uitoefenen op belangrijke en cruciale momenten in het bouwproces, zodat belangrijke gebreken en tekortkomingen tijdig gemeld kunnen worden en de architect waar nodig nog kan bijsturen.

Ook de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel oordeelde eerder al in die zin: de controle van de architect dient in elk geval te geschieden bij delicate en moeilijk omkeerbare bouwfasen teneinde de bouwheer te behoeden voor belangrijke bouwgebreken of schade.
Het feit dat de aanwezigheid en controleplicht van de architect in de praktijk meer ter discussie wordt gesteld, getuigt toch van een tendens die de aansprakelijkheid van de architect verzwaart.

Bij gebrek aan bewijs van controle door de architect zal de rechter, conform de vigerende tendens, zowel de architect als de aannemer, omwille van samenlopende fouten, in solidum veroordelen tot de volledige schade.

3.  Samenstelling bouwdossier met oog op verkrijging omgevingsvergunning: middelenverbintenis

Dezelfde kamer van het Hof van Beroep te Gent heeft op 6 september 2019 zijn hoofd gebogen over de aansprakelijkheid van de architect bij de niet-verkrijging van een omgevingsvergunning.

Hier stelde het Hof dat de opdracht van de architect tot samenstelling van het bouwdossier met het oog op verkrijging van een vergunning het karakter heeft van een middelenverbintenis.

In het beoordeelde geval waren de eisen van de bouwheren dermate dat ze niet te verzoenen vielen met de gebruikelijke bouwvoorschriften. Er lag dus geen fout voor van hun architect en de overeenkomst kon daarom niet verbroken worden lastens de architect.

Op de architect rust weliswaar een belangrijke informatieplicht, maar als de bouwheer de principes wenst uit te rekken tot op een bepaald (onhaalbaar) niveau, kan het niet bekomen van de vergunning niet verweten worden aan de architect.

Bovendien oordeelt het Hof ook dat de architect gerechtigd is om zijn medewerking op te schorten op het ogenblik dat hij verneemt dat een andere architect van dezelfde bouwheer ook een opdracht heeft verkregen.

In dezelfde zin oordeelde het Hof van Beroep van Antwerpen dat het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning (nu omgevingsvergunning) geen resultaatsverbintenis, maar slechts een middelenverbintenis inhoudt in hoofde van de architect.

4.  Architect: check uw budgetbewakingsplicht

Rechtspraak die het meest in het oog springt en de aansprakelijkheid van de architect scherp beoordeeld heeft, is het arrest van het Hof van Beroep te Luik (van 9 januari 2020) waarbij een architect werd veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding voor de overschrijding van het budget van de bouw.

Kortom, een miskenning van de informatieplicht over de prijs, de zogenaamde budgetbewakingsplicht, kan aanleiding geven tot een veroordeling voor het vergoeding van de schade in hoofde van de bouwheer.

Dit vertrekt vanuit artikel 16 van het Reglement van beroepsplichten van de architecten van 16 december 1983 dat architecten er op wijst “ontwerpen voor te stellen die binnen de grenzen blijven van het in de opdracht vastgestelde programma en van de begroting die eruit voortvloeit, zoals blijkt uit de overeenkomst tussen partijen.”

Hoewel de architect niet verantwoordelijk is voor de stijging van de materiaalkosten, is hij niettemin ten aanzien van de bouwheer gehouden tot een informatie- en adviesplicht.

Het is de plicht van de architect om zijn cliënten (bouwheren) bij te staan en hen te begeleiden om het gevraagde bouwwerk binnen het budget te realiseren. Zo niet komt zijn aansprakelijkheid in het gedrang.

Wat de hoegrootheid betreft oordeelde het Hof dat een overschrijding van het budget met 32% de tolerantiemarge van 10%, die gewoonlijk wordt aanvaard door de doctrine en rechtspraak, had overschreden en de architect dus aangesproken kon worden.

Let wel: de vaststelling dat in de architectenovereenkomst uitdrukkelijk was bepaald dat het bedrag “louter ten indicatieve titel is opgegeven” werd niet weerhouden als excuus voor de architect.

De geleden schade door de bouwheer kon volgens het Hof niet bestaan in het verschil van de overschrijding (38.292 euro), verminderd met 10%-tolerantiemarge, omdat het patrimonium van de bouwheer met bijkomende budgetoverschrijdende werken was vermeerderd. Een schadevergoeding ex aequo et bono werd toegekend.

Impliciet werd ook aangegeven dat men naar de architect kan stappen als een bouwwerk niet aan de wensen van de bouwheer voldoet en niet binnen een budget mogelijk werd gerealiseerd.

Ook het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Namen (op 18 januari 2018) bevestigt dat een architect moet waken over het budget en de specificatie van het project dienaangaande.

Een tekortkoming van de architect aan zijn adviesplicht wordt in regel gesanctioneerd door de ontbinding van de overeenkomst en de teruggave van het geheel of een deel van de ontvangen erelonen.

De controle en informatieplicht van de architect wordt daarmee scherp gesteld.

5. Besluit

Het blijft natuurlijk steeds een feitelijke appreciatie en casuïstische benadering maar het gegeven dat men de essentiële plichten van de architect preciezer omschrijft en evalueert is toch enigszins een trendbreuk met vroeger.

De aansprakelijkheid van de architect volgt daarmee de huidige maatschappelijke evolutie, waarbij men scherper de rechten en plichten laat profileren.

Lees hier het originele artikel