Een kwalitatief bezwaarschrift bij een omgevingsvergunningsaanvraag: meer dan ooit een noodzaak om uw kansen gaaf te houden! (adhemar.law)

Auteurs: Joris De Pauw en Laura Thewis (adhemar.law)

Publicatiedatum: 05/08/2021

In onze tweedelige nieuwsbrief, gepubliceerd op 10 en 18 juni jl., gingen wij dieper in op de optimalisaties die werden doorgevoerd aan het DBRC-decreet dat onder meer de organisatie en de rechtspleging van de Raad voor Vergunningsbetwistingen regelt.

Het betrokken optimalisatiedecreet van 21 mei 2021 werd op 14 juni 2021 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Bepaalde artikelen zijn op 24 juni 2021 reeds in werking getreden, andere artikelen treden pas in werking vanaf een door de Vlaamse Regering nader te bepalen datum.

In deze nieuwsbrief wordt ingegaan op de optimalisaties die reeds vanaf 24 juni jl. in werking zijn getreden, met name de wijziging van de artikelen 35 en 37 van het DBRC-decreet.

1.     BELANGENSCHADE, RELATIVITEITSEIS EN ATTENTIEPLICHT

Artikel 35, derde lid van het DBRC-decreet luidt ingevolge artikel 6 van het optimalisatiedecreet als volgt:

“Zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van regels die de openbare orde aanbelangen, kan de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel in elk van de volgende gevallen geen aanleiding geven tot een vernietiging:

1° als de partij die de schending aanvoert, niet wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. De omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot vernietiging, maakt op zich niet dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid;

2° als de ingeroepen onwettigheid kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept;

3° als de partij kennelijk verzuimd heeft de ingeroepen onwettigheid aan te voeren op het nuttige ogenblik waarop het kon worden aangevoerd tijdens de bestuurlijke procedure.”

Belangenschade (1°) vereist dat de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel slechts kan worden ingeroepen door een partij die wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid.

Aan belangenschade wordt bijvoorbeeld niet voldaan in de volgende gevallen (Parl.St. Vl.Parl. 2020-2021, nr. 699/1, 26-27):

  • “Een verzoeker heeft geen belang bij een middel dat betrekking heeft op de organisatie van het openbaar onderzoek naar een vergunningsaanvraag wanneer blijkt dat hij in het kader van dat openbaar onderzoek een bezwaarschrift heeft ingediend. […]
  • Een verzoeker heeft geen belang om zich op een gebrekkige bekendmaking te beroepen wanneer hij de met zijn middel nagestreefde bekendmaking in de feiten effectief blijkt genoten te hebben.
  • Een schending van de formele motiveringsplicht leidt bijvoorbeeld niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing, indien de verzoeker op een andere wijze de motieven van de bestreden akte afdoende kende vooraleer hij het beroep heeft ingediend.
  • De verzoekende partij die zich in een middel op een beweerdelijk gebrekkige aanplakking van de vergunningsbeslissing beroept, heeft geen belang bij dat middel wanneer blijkt dat de beweerdelijk gebrekkige aanplakking hem niet heeft geraakt in haar mogelijkheid om op regelmatige wijze administratief respectievelijk jurisdictioneel beroep aan te tekenen.
  • De verzoeker wordt niet benadeeld door het feit dat een bestreden beslissing een verkeerde datum van de hoorzitting zou vermelden en een verkeerde verwijzing naar randnummers zou bevatten en heeft dus geen belang bij het middel.
  • Een verzoeker heeft geen belang bij een middel waarin wordt geargumenteerd dat met een advies geen rekening werd gehouden, indien uit de inhoud van dat advies blijkt dat het voor hem nog ongunstiger is dan wat in de bestreden beslissing is besloten.
  • Een verzoekende partij-aanvrager heeft geen belang bij het aanvechten van een watertoets die een positieve beoordeling voor haar inhoudt en geen weigeringsmotief uitmaakte. De verzoekende partij heeft immers slechts een belang bij het middel indien een vernietiging op grond van de watertoets het door hem geschetste nadeel kan verhelpen.”

De relativiteitseis (2°) houdt in dat de schending een norm of algemeen rechtsbeginsel slechts kan worden ingeroepen wanneer de ingeroepen onwettigheid strekt tot de bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Aan de relativiteitseis wordt bijvoorbeeld niet voldaan in de volgende gevallen (Parl.St. Vl.Parl. 2020-2021, nr. 699/1, 28):

  • “De Raad van State stelt dat een omwonende niet overtuigde van haar belang bij het niet-respecteren van een voorschrift in verband met de regels voor de globale energetische prestatie-eisen, de thermische isolatie, de ventilatievoorzieningen en de minimale eisen voor het binnenklimaat, bij het uitbreiden van een magazijn.
  • Een partij kan zich ook niet zonder meer beroepen op een beweerde schending van de veiligheidsnormen voor windturbines indien deze persoon zelf geen veiligheidsrisico’s loopt (bijvoorbeeld omdat deze partij geen omwonende is).
  • Een buurman kan niet zonder meer een omgevingsvergunning bestrijden uit vrees voor overlast en zich daarbij op de schending beroepen van voorschriften die uitsluitend strekken tot beschermen van de veiligheid van de personen die in het betrokken gebouw verblijven.
  • Omwonenden van een gepland speelterrein voor kinderen kunnen zich niet beroepen op een schending van de reglementering van de kinderopvang, die de belangen van de kinderen beoogt te beschermen en niet de belangen van omwonenden die bevreesd zijn voor geluidsoverlast.”

De attentieplicht (3°) houdt in dat de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel slechts kan worden ingeroepen wanneer de partij die zich op deze onwettigheid beroept, niet heeft verzuimd deze aan te voeren op het nuttige ogenblik waarop het kon worden aangevoerd tijdens de bestuurlijke procedure. In de parlementaire voorbereiding lezen we o.a. het volgende (Parl.St. Vl.Parl. 2020-2021, nr. 699/1, 29):

“[…] dat het in het raam van het ‘wederkerig bestuursrecht’ passend is dat de burger ten aanzien van het bestuur blijk  geeft  van  voldoende  zorgvuldigheid,  alertheid,  medewerking  en  loyauteit.
Zo wordt erop gewezen dat wanneer iemand zich er welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid van onthoudt in een administratieve procedure zijn rechten te doen gelden en aldus belet dat het bestuur eventuele gebreken in de procedure rechtzet op het ogenblik dat zij nog geen definitief nadeel hebben berokkend,  die  persoon  er  zich  niet  ontvankelijk  voor  het  eerst  bij  de  bestuursrechter over kan beklagen dat zijn rechten zijn geschonden. […] dat een verzoeker zijn belang kan verliezen ten gevolge “van een handeling die hij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die hem persoonlijk verwijtbaar is”.”

Het nieuwe artikel 35, derde lid is van toepassing op de vorderingen die worden ingediend vanaf 24 juni 2021.

Samengevat komt het erop neer een voldoende uitgewerkt bezwaarschrift (en beroepschrift) in te dienen zodat de vergunningverlenende overheden over zoveel mogelijk informatie beschikken om vervolgens met kennis van zaken een vergunningsbeslissing te kunnen nemen. Het is daarbij steeds van belang na te gaan of er belangenschade optreedt en of de rechtspositie van diegene die zich op een bepaalde onwettigheid beroept, wordt aangetast.

2.     UITBREIDING SUBSTITUTIEBEVOEGDHEID

Ten gevolge van de wijziging van artikel 37 § 2 van het DBRC-decreet kan de Raad zijn arrest vanaf 24 juni jl. in de plaats te stellen van de nieuw te nemen vergunningsbeslissing wanneer de motieven die de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, zonder meer niet bestaan.