Summer Deal
‘Bouw – Actualia’

7 webinars on demand

Summer Deal
‘Bouw – Aansprakelijkheid’

4 webinars on demand

Summer Deal
‘Het nieuwe goederenrecht’

6 webinars on demand

Privaatrechtelijke erfdienstbaarheden in het oud en nieuw Burgerlijk Wetboek

Webinar on demand

Het nieuwe goederenrecht en de vastgoedpraktijk – 10 relevante nieuwigheden onder de loep

Webinar on demand

50 jaar Wet Breyne – Een overzicht aan de hand van rechtspraak

Webinar on demand

De Raad voor Vergunningsbetwistingen treedt op tegen vergunningencarrousels (Blockeel Timmermans Advocaten)

Auteur: Blockeel Timmermans Advocaten

De decretale bevestiging van de bevoegdheid van de Raad om bij feitelijke gebonden bevoegdheid haar beslissing in de plaats te stellen

De Raad voor Vergunningsbetwistingen beschikt al geruime tijd over de mogelijkheid om tot indeplaatsstelling over te gaan ingeval van een volstrekt gebonden bevoegdheid (d.i. wanneer de overheid geen enkele appreciatiebevoegdheid heeft) van de vergunningverlenende overheid. Het ging hierbij voornamelijk om een weigeringsbeslissing via indeplaatsstelling als gevolg van een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering voor de vergunningverlenende overheid.

Met het decreet van 21 mei 2021 tot wijziging van het DBRC-decreet, wat betreft de optimalisatie van de procedures, verankerde de decreetgever de in de rechtspraak ontstane nuancering dat ook sprake kon zijn van een feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid. Dit kreeg vorm door toevoeging van een lid aan artikel 37, §2, DBRC-decreet (inwerkingtreding op 24 juni 2021) dat stelde:

“Onder het geval, vermeld in het eerste lid, worden ook de gevallen van feitelijke of naderhand gebonden bevoegdheid verstaan die volgen uit de toepassing van de regelgeving in het licht van de concrete gegevens en omstandigheden van het dossier.”

In de Memorie van Toelichting werd hierover toegelicht dat de indeplaatsstellingsbevoegdheid niet enkel kan worden aangewend bij een zuiver gebonden bevoegdheid, “maar dat het ook kan gaan om situaties waarin de overheid initieel wel beschikte over een discretionaire bevoegdheid, maar deze bevoegdheid in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijze gebonden blijkt te zijn” en nog dat: “In dat geval is er sprake van een a posteriori oftewel naderhand gebonden bevoegdheid, waarbij de oorspronkelijk discretionaire bevoegdheid door de concrete omstandigheden is verdampt/ versmald, opgebruikt”.

Het betreft bijvoorbeeld dossiers waarbij uit de vernietiging van de eerste beslissing of opeenvolgende beslissingen kan blijken dat motieven die de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, in werkelijkheid niet bestaan waardoor geen andere mogelijkheid meer rest dan de vergunning te weigeren.

In het bijzonder kan de substitutie worden aangewend om de gekende carrouselscenario’s te vermijden. Een dergelijke carrousel komt er doorgaans op neer dat een dossier keer op keer en in weerwil van vaak zeer ongunstige adviezen, wordt vergund waarbij de motivering al wel eens onsamenhangend of eenvoudigweg feitelijk onjuist durft te zijn.

Toepassing in de rechtspraak

Uit de recente rechtspraak blijkt dat de Raad – onder uitdrukkelijke verwijzing naar het aangevulde artikel 37, §2, DBRC-decreet – toch met enige regelmaat gebruik lijkt te maken van haar bevestigde bevoegdheid, in het bijzonder wanneer zij vaststelt dat een overheid, na eerdere vernietigingen en herstelbeslissingen, er niet in slaagt om een draagkrachtige motivering te verzinnen.

Zo kan gewezen worden op een arrest van 23 december 2021 (RvVb-A-2122-0335) waarin de Raad de vergunning zelf weigerde en hierbij uitdrukkelijk overwoog:

De verwerende partij heeft dus, zelfs na een derde heronderzoek van de zaak, in het aanvraagdossier noch daarbuiten redenen kunnen vinden die een draagkrachtige grondslag bieden voor de conclusie dat de inrichting verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving. De appreciatiebevoegdheid van de verwerende partij blijkt volledig te zijn opgebruikt, waaruit volgt dat haar bevoegdheid louter gebonden is.

Er bestaat grond om het arrest in de plaats te stellen van de beslissing van de verwerende partij over het bestuurlijk beroep van de tussenkomende partij tegen de stilzwijgende weigeringsbeslissing…” (eigen onderlijning)

In een eerder arrest van 28 oktober 2021 (RvVb-A-2122-0172) overwoog de Raad dat:

“Zelfs nadat ze de aanvraag naar aanleiding van het vernietigingsarrest opnieuw onderzocht slaagt ze er klaarblijkelijk nog altijd niet in om op basis van het dossier deugdelijke motieven te vinden waaruit blijkt dat de aanvraag verenigbaar is met de geldende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan en met de goede ruimtelijke ordening. Uit het dossier blijkt redelijkerwijze ook niet dat de aanvraag door het opleggen van voorwaarden alsnog in overeenstemming kan worden gebracht met de goede ruimtelijke ordening of met de gewestplanbestemming, en ook niet dat er hiervan op regelmatige wijze kan worden afgeweken.”

De Raad kwam aansluitend tot het besluit dat de vergunningverlenende overheid haar appreciatiebevoegdheid feitelijk volledig had uitgehold zodat ze de aanvraag noodzakelijk moest weigeren.

Het lijkt erop dat de Raad de uitputtingsslag die sommige aanvragers en vergunningverlenende overheden – omwille van allerlei belangen – leveren, aan banden tracht te leggen.

Wetende dat een carrousel van vergunningen en opeenvolgende beroepen in een aantal gevallen niet meer is dan een poging om de tegenstand uit te dunnen, lijkt de rechtspraak van de Raad geen slechte evolutie te zijn om minstens in die dossiers rechtszekerheid te bieden.

Bron: Blockeel Timmermans Advocaten