Overheidsopdrachten
anno 2022
(Incl. Jaarboek Overheidsopdrachten
2021 – 2022)

Studiedag op 2 december 2022

 

Het nieuwe verbintenissenrecht:
de impact voor de bouw- en vastgoedsector

Webinar op 20 oktober 2022

Beëindiging van contracten
en sancties wegens wanprestaties

Webinar on demand

Het nieuwe verbintenissenrecht

Webinar on demand

De koop anno 2021 and beyond – Inclusief publicatie

Webinar on demand

Privaatrechtelijke erfdienstbaarheden in het oud en nieuw Burgerlijk Wetboek

Webinar on demand

De ingebrekestelling (Caluwaerts Uytterhoeven)

Auteurs: Kristof Uytterhoeven en Michel Fransen (Caluwaerts Uytterhoeven)

Een correcte formulering en inhoud van uw brief is van belang.

In een recent arrest van 21 maart 2022 boog het Hof van Cassatie zich over de kwestie of een bepaalde brief als ingebrekestelling beschouwd kon worden.

Aan de grondslag van dit cassatieberoep lag een discussie tussen de bouwheer en aannemer die instond voor de uitvoering van een appartementsgebouw. De werken hadden vertraging opgelopen, waardoor de aannemer vertragingsboetes verschuldigd zou zijn aan de bouwheer. Het hof van beroep te Antwerpen kende een vertragingsboete toe voor een periode van 13 november 2015 tot 13 juni 2016. Volgens het hof beroep was het duidelijk dat de aannemer op 13 november 2015, na een laatste ingebrekestelling door de bouwheer, in gebreke bleef om de werken tijdig af te werken.

De bouwheer was het daar niet mee eens. Uit een brief van haar raadsman van 10 september 2015 zou immers moeten blijken dat de werken reeds einde mei 2015 hadden moeten beëindigd zijn. Bijgevolg was volgens de bouwheer een vertragingsboete die slechts op 13 november 2015 startte, een miskenning van zijn recht op een volledige schadevergoeding en met name een schending van de artikelen 1139, 1146 en 1149 oud BW. De bouwheer haalde onder meer aan dat dat hij gerechtigd was op een vertragingsboete, te rekenen voor iedere kalenderdag vanaf de ingebrekestelling tot de voorlopig oplevering. Daarnaast voerde de bouwheer aan, dat hij middels de brief van 10 september 2015 de aannemer al aanmaande dat de werken reeds in mei 2015 beëindigd moesten zijn.

In de betreffende brief van 10 september 2015 stelde de bouwheer echter ook dat hij “zeer goed begrijpt dat de (aannemer) van zeer goede wil is”. Het hof van beroep leidde blijkbaar uit deze passage af dat enkel de laatste brief van 13 november 2015 als ingebrekestelling beschouwd kon worden.

Het Hof van Cassatie bevestigt deze visie en vat de brief van 10 september 2015, en in het bijzonder bovenstaande passage, op alsof deze brief de bedoeling had aan de aannemer een bijkomende termijn te gunnen. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen. In het arrest wordt een ingebrekestelling door het Hof van Cassatie als volgt gedefinieerd:

“Een ingebrekestelling is de eenzijdige rechtshandeling waarbij een schuldeiser duidelijk en ondubbelzinnig kennis geeft aan de schuldenaar van zijn wil om de nakoming van de verbintenis te eisen.

De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een geschrift dient beschouwd te worden als een ingebrekestelling, mits hij de bewijskracht ervan niet miskent.”

De definitie die het Hof van Cassatie geeft aan het begrip ingebrekestelling, loopt vooruit op het nieuwe artikel 5.231, eerste lid NBW. Uit het arrest van 21 maart 2022 blijkt echter dat een rechter zelf inhoudelijk kan oordelen of een brief al dan niet als een ingebrekestelling beschouwd kan worden. Het is dus van groot belang dat uw brief in de juiste bewoordingen wordt opgesteld om als ingebrekestelling in aanmerking te komen. Daarbij is het belangrijk welke inhoud uw brief precies bevat en met name welke informatie er wel of helemaal niet moet instaan.

Bron: Caluwaerts Uytterhoeven