Breaking: Het Grondwettelijk Hof tekent het doodvonnis van het openbaar groen (GD&A Advocaten)

Auteur: Willem Mariën (GD&A Advocaten)

Het nieuw goederenrecht (Boek III Goederen) omvat nieuwe regelingen omtrent de minimale afstanden van beplantingen ten aanzien van de perceelsgrenzen en omtrent overhangende takken en doorschietende wortels. Die regelingen zouden ook van toepassing zijn op het openbaar domein, tot groot ongeloof van lokale besturen en natuurverenigingen. Die laatsten trokken richting het Grondwettelijk Hof, doch kregen afgelopen week lik op stuk.

De betreffende regelingen:

Art. 3.133 BW – Afstanden van beplantingen

Alle beplantingen moeten minimaal op de hierna bepaalde afstanden van de perceelsgrens staan, tenzij indien partijen hierover een contract hebben gesloten of indien de beplantingen al meer dan dertig jaar op dezelfde plaats staan.

De in het eerste lid bedoelde afstand bedraagt voor bomen die minstens twee meter hoog zijn, twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor de andere bomen, struiken en hagen een halve meter.

De nabuur kan de snoeiing of rooiing eisen van de beplantingen die op een kortere afstand zijn aangebracht, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang.

De nabuur kan zich evenwel niet verzetten tegen de aanwezigheid van beplantingen die niet hoger reiken dan de afsluiting tussen de percelen. Gaat het in dat geval om een niet-gemene afsluiting, dan heeft de eigenaar het recht deze als steun voor zijn beplantingen te gebruiken.”

Art. 3.134 BW – Overhangende takken en wortels

“Indien een eigenaar van beplantingen waarvan de takken of wortels doorschieten over de perceelsgrens, nalaat de doorschietende takken of wortels te verwijderen binnen zestig dagen na een ingebrekestelling per aangetekende zending van de nabuur, kan deze laatste eigenmachtig, op kosten van de eigenaar van de beplantingendeze takken of wortels wegsnijden en zich toe-eigenen. Als de nabuur het doorschietende zelf wegsnijdt, draagt hij zelf het risico voor de schade die hij aan de beplantingen toebrengt. Hij kan eveneens eisen dat de eigenaar dit wegsnijdt, tenzij de rechter van oordeel is dat zulks rechtsmisbruik uitmaakt. De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang. Het recht om de verwijdering te eisen, kan niet uitdoven door verjaring.
Vruchten die op natuurlijke wijze van de bomen op een aanpalend onroerend goed vallen, behoren toe aan degene die het genot van dit laatste onroerend goed heeft.”

Het Hof verwierp het beroep van de natuurverenigingen, oordelend dat de toepassing van de betrokken bepalingen op het openbaar domein noch een inbreuk maakt op de bevoegdheden van de gewesten noch een schending inhoudt van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

Het Hof beklemtoont in dat verband de eigenheid van het openbaar domein: zakelijke gebruiksrechten kunnen bestaan op een openbaar domeingoed, maar enkel in de mate dat de openbare bestemming van dat goed er niet aan in de weg staat, wat ook geldt voor de regels inzake de afstanden van beplantingen.

Vervolgens is het Hof van oordeel dat de bestreden bepalingen niet leiden tot een aanzienlijke achteruitgang in de bescherming van een gezond leefmilieu. De bestreden regels gelden evenmin voor aanplantingen die dateren van voor de inwerkingtreding van de wet.

Hoe dan ook lijken artikel 3.133 en 3.134 BW voortaan een cruciale rol op te eisen bij de aanplanting van het openbaar domein.

Bron: GD&A Advocaten