Arrest Raad voor Vergunningsbetwistingen zaait verwarring over beroepstermijn tegen omgevingsvergunning in laatste aanleg – bis (Marlex)

Auteurs: Gregory Vermaercke en Daan Vandenbroucke (Marlex)

In 2017 werden de stedenbouwkundige vergunning, de verkavelingsvergunning en de milieuvergunning verenigd in één vergunning: de omgevingsvergunning. Beslissingen omtrent deze omgevingsvergunningsaanvragen in laatste aanleg kunnen worden aangevochten bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Artikel 105, §3 van het Omgevingsvergunningsdecreet stelt dat een vernietigingsberoep bij de Raad moet worden ingediend binnen een vervaltermijn van 45 dagen die ingaat:

  • De dag na de datum van de betekening, voor de personen en/of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
  • De dag na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing in de overige gevallen.

De datum van de betekening vormt dus het cruciale aanknopingspunt voor de berekening van de beroepstermijn. Op vandaag kan deze betekening zowel digitaal gebeuren (via het zogenaamde ‘Omgevingsloket’, vaak zeer snel na de effectieve beslissingsdatum) als analoog (met een aangetekende zending, in de regel de tragere methode).

In onze eerdere nieuwsbrief van 19 april 2021 hadden we reeds gewezen op het opmerkelijke arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 1 april 2021. In dit arrest had de Raad zich moeten buigen over de tijdigheid van een beroep dat -althans berekend met de datum van de digitale betekening- (ruim) buiten de vervaltermijn werd ingesteld.

Opmerkelijk genoeg oordeelde de Raad toen dat, ‘indien de betekening van de beslissing zowel digitaal (via het Omgevingsloket) als analoog (met een aangetekende zending) is gebeurd, voor de verzoekende partijen als beroepsindieners de voor hen meest gunstige vertrekdatum ter beoordeling van de tijdigheid van hun beroep bij de Raad [geldt].

In onze nieuwsbrief van 19 april 2021 wezen we op de onduidelijke gronden waarop de Raad deze stelling meende te kunnen bouwen. Tevens stelden we de vraag of deze zienswijze van de Raad niet regelrecht indruist tegen hetgeen de decreetgever met de betreffende bepaling, alsook met de digitalisering van de omgevingsvergunningverlening voor ogen heeft.

In een recent arrest van 26 augustus 2021 heeft de Raad haar standpunt omtrent de beroepstermijn verder uitgewerkt. In het voorliggende dossier werd op 10 september 2020 een vergunning verleend, die op 14 september 2020 aan alle partijen inzake digitaal werd betekend en middels aangetekende brief van 18 september 2020 (ontvangen op 22 september 2020) analoog werd betekend. Op 3 november 2020 werd beroep aangetekend, 50 dagen na de digitale betekening.

Net als in haar arrest van 1 april 2021 is de Raad echter van oordeel dat dit beroep niét laattijdig is. Ondanks het feit dat de Raad nogmaals (met verwijzing naar artikel 2, 10° van het Omgevingsvergunningsbesluit) expliciet oordeelt dat de elektronische gegevensuitwisseling via het Omgevingsloket beschouwd wordt als een beveiligde zending, blijft zij van oordeel dat deze digitale betekeningsdatum niet volstaat.

De Raad gaat in haar arrest van 26 augustus 2021 zelfs nog verder en lijkt nu te insinueren dat een digitale kennisgeving van de beslissing via het Omgevingsloket géén betekening in de zin van artikel 105, §3 van het Omgevingsvergunningsdecreet inhoudt, doch slechts een loutere ‘informering’:

“Hoewel de verwerende partij dus op 14 september 2020 de verzoekende partij via digitale weg heeft geïnformeerd dat er een beslissing beschikbaar was in het omgevingsloket, heeft ze vervolgens de bestreden beslissing betekend met een aangetekende brief van 18 september 2020”

Verder is de Raad van oordeel dat de verzoekende partij er terecht “op mocht vertrouwen dat de beroepstermijn pas vanaf de betekening met een aangetekende brief begon te lopen”.

Provincie West-Vlaanderen, de vergunningverlenende overheid in het betreffende dossier, krijgt op de koop toe een veeg uit de pan van de Raad omdat zij er “in zo een geval van bewust [moet] zijn dat dit mogelijks voor verwarring kan zorgen bij de verzoekende partij”.

Net als het arrest van 1 april 2021, doet ook dit arrest de wenkbrauwen fronsen. Door opnieuw te oordelen dat de betekening van een vergunningsbeslissing via digitale weg niet volstaat om een vervaltermijn als deze uit artikel 105, §3 Omgevingsvergunningsdecreet te doen lopen, worden de intenties van de decreetgever, die met het Omgevingsloket wou inzetten op digitalisering, nogmaals gefnuikt. De bewoordingen van het arrest stellen zelfs het bestaan van de digitale betekening in vraag, hetgeen de rechtszekerheid geenszins ten goede komt.

Een belangrijke nuance die evenwel moet worden gemaakt, is het feit dat het betreffende dossier volgde uit een digitaal ingediend beroepschrift en er tevens een parallel dossier liep omtrent een functiewijziging van hetzelfde pand, volgend uit een analoog ingediend beroepschrift.

Uit de bewoordingen van de Raad valt immers ook af te leiden dat haar kritiek deels voortspruit uit het feit dat deze twee parallelle dossiers, met hun verschillende termijnen ingevolge de keuzes voor de digitale, dan wel analoge weg, voor verwarring hadden gezorgd.

Het blijft evenwel uitkijken naar verdere rechtspraak van dit Raad hieromtrent: is haar interpretatie ingegeven door de specifieke omstandigheden in de betreffende dossiers, of betekent haar zienswijze effectief een stap terug in de broodnodige zoektocht naar efficiëntie en digitalisering? Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Bron: Marlex