Summer Deal
‘Het nieuwe verbintenissenrecht & koop/verkoop’

6 webinars on demand

Summer Deal
‘Handel & Consument’

6 webinars on demand

Summer Deal
‘Bouw – Actualia’

7 webinars on demand

Summer Deal
‘Bouw – Aansprakelijkheid’

4 webinars on demand

Summer Deal
‘Het nieuwe goederenrecht’

6 webinars on demand

Het nieuwe verbintenissenrecht

Webinar on demand

Aankoop woning met niet-vergunde achterbouw en vordering op grond van verborgen gebrek. Cassatie 6 januari 2022 (LegalNews)

Auteur: LegalNews

Krachtens artikel 1604, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek moet de verkoper de zaak leveren die met de overeenkomst in overeenstemming is. Indien de verkoper aan deze verplichting tot conforme levering tekort komt, kan de koper overeenkomstig artikel 1610 Oud Burgerlijk Wetboek de ontbinding van de koop vorderen. De koper die de levering afkeurt, dient dit zo spoedig als mogelijk te doen. De koper die de geleverde zaak aanvaardt, kan niet meer de ontbinding van de koop vorderen op grond van het gebrek aan overeenstemming van de geleverde zaak, onder voorbehoud van de vordering op grond van een koopvernietigend gebrek overeenkomstig artikel 1648 Oud Burgerlijk Wetboek. Deze vordering moet binnen een korte termijn worden ingesteld.
Uit de vaststellingen van de appelrechter blijkt dat de verweerders op 19 april 2016 een woning hebben gekocht, waarvan zij enkele maanden na de aankoop, ter gelegenheid van hun aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een carport, hebben vernomen dat de achterbouw van de woning niet vergund is, en dat regularisatie slechts mogelijk is indien de niet-vergunde achterbouw zou worden afgebroken.

De appelrechter oordeelt dat de niet-vergunde achterbouw een verborgen gebrek uitmaakt van het onroerend goed en tevens niet overeenstemt met de verkochte zaak en met wat de partijen zijn overeengekomen.

De appelrechter oordeelt verder dat de verweerders de vordering op grond van artikel 1648 Oud Burgerlijk Wetboek wegens verborgen gebreken laattijdig hebben ingesteld en dat bijgevolg hun vordering, in zoverre gebaseerd op artikel 1648 Oud Burgerlijk Wetboek, ontoelaatbaar is.

De appelrechter die vervolgens oordeelt dat de vordering van de verweerders, in zoverre gebaseerd op de artikelen 1604 en 1610 Oud Burgerlijk Wetboek, wel gegrond is omdat deze vordering niet dient te worden ingesteld binnen een korte termijn, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Lees hier het Cassatie-arrest van 6 januari 2022