Update van het arbeidsreglement en
van de template arbeidsovereenkomst
in het licht van recente wetswijzigingen

Webinar op 20 januari 2023

Telewerken over de grenzen heen: de gevolgen inzake sociale zekerheid

Webinar op 9 december 2022

Een ernstig arbeidsongeval –
De verplichtingen van de werkgever en de houding van de inspectie

Webinar op 9 december 2022

Het nieuw fiscaal regime voor buitenlandse kaderleden vanaf 1 januari 2022

Webinar on demand

Arbeidstijd: vijf concrete probleemstellingen

Webinar on demand

Managementovereenkomsten

Webinar on demand

Wetsontwerp houdende verlaging van lasten op arbeid: aandachtspunten voor de uitzendsector (Tiberghien)

Auteurs: Daan BuylaertCharlotte Meskens en Kimberley De Plucker (Tiberghien)

In een andere nieuwsbrief  hadden wij het reeds over het (toenmalige voor-) ontwerp van wet houdende verlaging van lasten op arbeid. Dit ontwerp bevat onder meer een aantal belangrijke wijzigingen aan de voorwaarden tot toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegen-en nachtarbeid.

Specifiek voor de uitzendsector zijn van belang de wijzigingen inzake bewijsvoering voor de vrijstelling ploegen-en nachtarbeid en de vooropgestelde inperking van het fiscaal voluntariaat.

Bewijsvoering

In het kader van een gecoördineerde controleactie m.b.t. ploegen- en nachtarbeid (daarover meer hier) kwamen een aantal moeilijkheden aan het licht bij de toepassing van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegen- en nachtarbeid door uitzendkantoren. Uit de praktijk blijkt immers dat de bewijsvoering bij uitzendkantoren geen sinecure is, aangezien zij hiervoor gedeeltelijk afhankelijk zijn van de aanlevering van informatie door hun gebruikers.

Hoewel niet nieuw, expliciteert het wetsontwerp nu dat uitzendkantoren enkel gebruik kunnen maken van de maatregel indien zij in staat zijn om te bewijzen dat zij aan alle toepassingsvoorwaarden voldoen. Eerder werd reeds in circulaire 2019/C/42 over de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegen- en nachtarbeid aangegeven dat “de werkgever die of het uitzendkantoor dat aanspraak wenst te maken op de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegen- en nachtarbeid, de bewijslast ervan draagt (…)”.[1] Deze explicitering heeft vooral tot doel om de uitzendkantoren aan te zetten om bindende afspraken te maken met hun klanten tot waarborg van de informatieverstrekking door de gebruikers bij een controle.

In het licht van een geharmoniseerde toepassing van de vrijstelling in de relatie gebruiker – uitzendkantoor, bepaalt het wetsontwerp dat uitzendkantoren voortaan enkel toepassing kunnen maken van de vrijstelling voor ploegen- en nachtarbeid (en bij uitbreiding volcontinuarbeid en werken in onroerende staat) op voorwaarde dat zij daartoe het akkoord hebben gekregen van de onderneming waarin de uitzendkrachten zijn tewerkgesteld.

Deze laatste bepaling treedt evenwel pas in werking per 1 oktober 2022.

Het wetsontwerp noopt bijgevolg tot herziening van de contractuele afspraken tussen uitzendkantoor en gebruiker.

(Wettelijke) verankering van de 18% bedrijfsvoorheffing voor de uitzendsector?

De wetgever wil komaf maken met het fiscaal voluntariaat, waarbij werkgevers systematisch meer bedrijfsvoorheffing inhouden dan hetgeen (minimaal) wettelijk verschuldigd is. Een dergelijk ingrijpen zou ook een weerslag kunnen hebben op de uitzendsector waarvoor een minimumpercentage van 11,11% geldt (bijlage III KB/WIB 92). Sectoraal werd het percentage van 11,11% (vrijwillig) verhoogd tot 18%. De Memorie van Toelichting bepaalt daarover dat het niet de bedoeling is om de uitzendsector te benadelen omdat zij om historische redenen aan structureel lagere bedrijfsvoorheffing onderworpen is. Er is dan ook voorzien dat men in overleg met de sector zal bekijken hoe men de ingehouden 18% bedrijfsvoorheffing reglementair kan verankeren.

De inperking van het fiscaal voluntariaat is ingeschreven voor bepaalde types van vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. De toepassing dient voor ieder type van vrijstelling afzonderlijk te worden bekeken.

Bron: Tiberghien