Tewerkstelling van buitenlandse
werknemers anno 2026
Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)
Webinar op vrijdag 23 oktober 2026
Arbeidsovereenkomsten onder de loep:
een must in 2026
Mr. Kato Aerts en mr. Sarah Witvrouw (Lydian)
Webinar op vrijdag 2 oktober 2026
Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update
Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)
Webinar op vrijdag 20 november 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Loontransparantie:
wel of geen realiteit in 2026?
Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck
(Claeys & Engels)
Webinar op dinsdag 8 december 2026
Discriminatie op de werkvloer:
de laatste ontwikkelingen
Mr. Inger Verhelst (Claeys & Engels)
Webinar op donderdag 24 september 2026
Tijdregistratie: het Hof van Justitie bevestigt en versterkt zijn rechtspraak (Partena)
Auteur: Laurence Philippe (Partena)
In 2019 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een bijzonder arrest geveld in een zaak over tijdregistratie (CCOO-arrest). Volgens dat arrest moeten de lidstaten een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem invoeren dat de arbeidstijd registreert.
Naar aanleiding van het CCOO-arrest had de toenmalige Minister van Werk Kris Peeters verklaard dat maatregelen die overuren regelen, voorhanden waren en dat het overdreven was om uit dat arrest een algemene verplichting betreffende tijdregistratie af te leiden.
Eind 2024 heeft het Hof het Loredas-arrest geveld. Daarin herhaalt het Hof dat het Europees recht niet toelaat dat een lidstaat bepaalde werkgevers – in dit geval werkgevers van huishoudelijk personeel – vrijstelt van de verplichting een tijdsregistratiesysteem in te voeren voor huishoudelijk personeel. Het specificeert de voorwaarden waaronder kan worden afgeweken van de verplichting om de arbeidstijd te registreren.
Zal het Loredas-arrest een impact hebben op het Belgische arbeidsrecht?
CCOO-arrest (2019)
In antwoord op een prejudiciële vraag van een Spaanse rechtbank oordeelt het Hof van Justitie op 14 mei 2019 dat “de lidstaten aan werkgevers de verplichting moeten opleggen om een objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem op te zetten waarmee de dagelijkse arbeidstijd van iedere werknemer wordt geregistreerd.”
Het Hof is van mening dat deze verplichting met betrekking tot de registratie van de arbeidstijd noodzakelijk is om de volledige werking van de Europese richtlijn over arbeidstijd te waarborgen en zo de levens- en arbeidsomstandigheden van werknemers te beschermen.
Werknemers hebben immers recht op rusttijden en op een maximale dagelijkse en wekelijkse arbeidstijd, en het nuttig effect van die rechten kan volgens het Hof niet worden gegarandeerd zonder tijdregistratie.
Volgens het Hof moeten de lidstaten, gelet op de beoordelingsmarge waarover ze beschikken, “een concrete regeling voor de toepassing van dat systeem, waaronder met name de daaraan te geven vorm, uitwerken en daarbij indien nodig rekening houden met het specifieke karakter van alle betrokken branches en zelfs met de specifieke kenmerken van bepaalde ondernemingen, zoals hun omvang”.
Loredas-arrest (2024)
Na het CCOO-arrest van 2019 heeft Spanje een algemene verplichting ingevoerd betreffende de registratie van de arbeidstijd, met weliswaar een aantal uitzonderingen, in het bijzonder voor huishoudelijk personeel.
Het Loredas-arrest dat het Hof van Justitie op 19 december 2024 heeft geveld, betreft de eis van een Spaanse werkneemster die als huishoudster was aangeworven, tot betaling van overuren die ze beweert regelmatig te hebben gemaakt. Ze bewijst die overuren echter niet maar voert aan dat er geen tijdsregistratie was.
In dat arrest verwijst het Hof naar de beginselen waarvan sprake in het CCOO-arrest en verduidelijkt het dat de nadere bepalingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een tijdsregistratiesysteem niet tot gevolg mogen dat de rechten van werknemers betreffende de maximale arbeidsduur en rusttijden, die trouwens verankerd zijn in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, worden uitgehold .
Aangezien de werknemer de zwakkere partij is in de arbeidsrelatie, preciseert het Hof ook dat bij gebrek aan een objectief en betrouwbaar tijdregistratiesysteem, het voor werknemers “buitengewoon moeilijk, zo niet in de praktijk onmogelijk is om de rechten af te dwingen” die zij op grond van het Handvest hebben.
Volgens de jurisprudentiële interpretatie van de toepasselijke Spaanse bepalingen zijn werkgevers vrijgesteld van de verplichting om een tijdregistratiesysteem in te voeren voor huishoudelijk personeel, zodat dit personeel de mogelijkheid wordt ontnomen om objectief en betrouwbaar te bepalen hoeveel uren zij hebben gewerkt en op welke tijdstippen. Volgens het Hof is deze interpretatie duidelijk in strijd met de richtlijn over de arbeidstijd.
Vervolgens herinnert het Hof eraan dat “de algemene verplichting tot registratie van de arbeidstijd er niet aan in de weg staat dat een nationale regeling bijzonderheden kent, hetzij vanwege de betrokken sector, hetzij wegens de specifieke kenmerken van bepaalde werkgevers, zoals hun omvang, mits deze regeling de werknemers effectieve middelen verschaft om de naleving van de regels inzake met name de maximale wekelijkse arbeidstijd te waarborgen”.
Het Hof wijst bijvoorbeeld op de mogelijkheid om te voorzien in afwijkingen voor overuren en deeltijdse arbeid, op voorwaarde dat die afwijkingen “de betrokken regeling niet uithollen”. Het is aan de nationale rechter om te oordelen of die voorwaarde vervuld is.
Het Loredas-arrest houdt ook verband met een vorm van indirecte discriminatie op grond van geslacht, aangezien 95% van het huishoudelijk personeel uit vrouwen bestaat. Het Hof is van oordeel dat het de nationale rechter is die moet nagaan of die afwijking voor huishoudelijk personeel ook een vorm van indirecte discriminatie op grond van geslacht is.
Reactie in België
Huidige wetgeving
Naar aanleiding van het CCOO-arrest heeft Spanje zijn wetgeving aangepast en een algemene verplichting inzake tijdsregistratie ingevoerd, met weliswaar een aantal afwijkingen die, zoals we net hebben gezien, geleid hebben tot een nieuw arrest tegen Spanje.
In België bestaat er momenteel geen algemene verplichting om een tijdregistratiesysteem te gebruiken, ook al zijn er specifieke verplichtingen in verschillende stelsels: flexi-jobs, afwijkingen van het werkrooster van deeltijdse werknemers, glijdende roosters, variabele roosters, enz. De Belgische wetgeving bevat ook diverse maatregelen betreffende werkroosters en overuren.
Kris Peeters had na het CCOO-arrest de volgende verklaring afgelegd: “Het is dus in de eerste plaats een Spaanse aangelegenheid waarbij het Hof van Justitie zich heeft uitgesproken over de Spaanse wetgeving betreffende de arbeidsduur en de toepassing ervan in Spanje. Het Hof van Justitie heeft in dit dossier de Belgische wetgeving inzake arbeidstijd niet onderzocht.
Het Belgische arbeidsrecht voorziet in de nodige maatregelen die gewijd zijn aan overuren. (…) Het Belgische arbeidsrecht voorziet ook in een aantal verplichtingen op het vlak van arbeidstijdregistratie. (…) Het is dan ook overdreven om uit deze uitspraak af te leiden dat elke Belgische werkgever verplicht is om een prikklok te installeren. ”
Tot nu toe heeft het CCOO-arrest dus nog tot geen enkele wetswijziging geleid.
Rechtspraak
Er is nog geen enkele prejudiciële vraag gesteld over de conformiteit van de Belgische wetgeving met de Europese richtlijn. Het Hof van Justitie heeft zich daarover dus nog niet kunnen uitspreken.
Wat de Belgische rechtspraak betreft, zijn er vonnissen die soms in de richting gaan van een verlichting of een deling van de bewijslast voor de werknemer (als er geen tijdregistratiesysteem is). Andere vonnissen stellen dan weer dat het niet mogelijk is om het Belgische recht in overeenstemming met deze rechtspraak te interpreteren zonder nieuwe verplichtingen voor werkgevers in te voeren, waarbij de rechter de vordering van de werknemer afwijst bij gebrek aan bewijs betreffende de vermeende overuren.
Staan er wetswijzigingen op stapel?
In 2022 heeft de minister van Werk Pierre-Yves Dermagne de Nationale Arbeidsraad gevraagd om voorstellen te doen over de verplichting die het CCOO-arrest van 2019 oplegt. De sociale partners hebben daarover een advies uitgebracht, waarin staat dat ze niet tot een consensus zijn kunnen komen.
Het thema zal misschien worden aangekaart tijdens de onderhandelingen over het interprofessioneel akkoord 2025-2026.
Het punt lijkt ook niet op de agenda te staan van de huidige onderhandelingen voor de vorming van een nieuwe regering. Het Loredas-arrest zal het debat misschien opnieuw aanzwengelen.
Een grote moeilijkheid waarmee zowel de sociale partners als de regering te kampen hebben, is de vraag hoe het recht van werknemers op de naleving van hun arbeidstijd, die gewaarborgd wordt via een registratiesysteem, kan worden verzoend met flexibelere manieren van werken, zoals telewerk, die meer vrijheid bieden om de arbeidstijd te organiseren.
Wat zijn de gevolgen voor jou?
Zoals uitgelegd hebben het Loredas-arrest en het CCOO-arrest geen aanleiding gegeven tot een nieuwe verplichting in de Belgische wetgeving en hebben ze nog niet geleid tot een wetswijziging.
En bij een geschil met een werknemer over het aantal gewerkte uren of de tijdstippen waarop hij/zij heeft gewerkt (bv. ’s avonds of in het weekend), kan het ontbreken van een tijdregistratiesysteem soms in je nadeel werken.
Maar er bestaan oplossingen: je kunt overwegen om een tijdregistratiesysteem in te voeren.
Je kunt ook je arbeidsreglement herzien om betwistingen in verband met overuren te voorkomen.
Bron: HJEU, 19 december 2024, C-531/23 [Loredas].
Advies nr. 2.324 van de NAR van 25 oktober 2022
Bron: Partena
» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid













