Bonusbeleid anno 2027.
Warrants en CAO nr. 90 onder de juridische loep

Mr. Mieke Deconinck en mr. Jan Lein (Claeys & Engels)

Webinar op vrijdag 29 januari 2027


Loontransparantie anno 2027

Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck

(Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 18 februari 2027


Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update

Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)

Webinar op vrijdag 20 november 2026


Ontslag van A tot Z anno 2027

Mr. Kato Aerts, mr. Katrien Coenen

en mr. Sarah Witvrouw (Lydian)

Webinar op donderdag 25 februari 2027


Overname van een handelszaak:
15 knelpunten onder de loep

Mr. Vanessa Ramon en mr. Mariël Van Vynckt (Cygnus Advocaten)

Webinar op donderdag 18 maart 2027


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille

Sociale zekerheid. Werknemer in meerdere lidstaten actief. Arrest ‘Hakamp’ – HvJ 4 september 2025  (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

Het verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen KN, een werknemer, en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Nederland) over de voorlopige vaststelling van de op hem toepasselijke socialezekerheidswetgeving.

De feiten

KN woonde in 2016 in Nederland. Tussen 4 februari en 31 december 2016 was hij werkzaam als schipper op een binnenvaartschip dat in Nederland is geregistreerd.

Een in Nederland geregistreerd en gevestigd scheepvaartbedrijf was eigenaar en exploitant van het schip. KN verrichtte werkzaamheden in België, Duitsland en Nederland. Volgens het vaartijdenboek van het schip heeft dit in 2016 ongeveer 22 % van zijn totale vaartijd in Nederland gevaren. KN stond in de litigieuze periode op de loonlijst van een werkgever in Liechtenstein.

Uit dit vaartijdenboek blijkt tevens dat het schip in de jaren 2013 en 2014 ook al in Nederland had gevaren, gedurende 22 respectievelijk 24 % van de totale vaartijd. In die periode werkte KN echter noch voor de in Liechtenstein gevestigde werkgever, noch op het schip.

Het voor Liechtenstein bevoegde orgaan heeft de SVB op grond van artikel 6 van verordening nr. 987/2009 per brief van 25 juli 2017 verzocht om de op KN toepasselijke wetgeving over de litigieuze periode voorlopig vast te stellen.

Bij besluit van 8 november 2019 heeft de SVB de Nederlandse wetgeving aangemerkt als die welke gedurende de litigieuze periode van toepassing was, en voor deze periode een verklaring betreffende de toepassing van het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid (A1-verklaring) afgegeven.

KN heeft bezwaar ingediend. De SVB heeft dat bezwaar bij besluit van 6 maart 2020 afgewezen op grond dat de betrokkene tijdens de litigieuze periode een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst in Nederland had verricht. Om tot deze slotsom te komen heeft de SVB niet alleen rekening gehouden met de vaartijd van het schip waarop KN heeft gewerkt, zoals die blijkt uit het vaartijdenboek, maar ook met het feit dat KN in Nederland woonde, dat het schip daar was geregistreerd en dat de eigenaar en exploitant van het schip aldaar gevestigd waren.

Nadat zijn beroep tegen dit besluit van de SVB door de rechtbank Midden-Nederland was verworpen, heeft KN hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, onder overlegging van documenten waaruit zou blijken dat zijn arbeidstijd in Nederland gedurende de litigieuze periode niet meer dan 18,5 % van zijn totale arbeidstijd bedroeg.

Bij uitspraak van 19 mei 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep dit hoger beroep afgewezen en geoordeeld dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving wel degelijk van toepassing was tijdens de litigieuze periode. Volgens deze rechterlijke instantie kan een werknemer die minder dan 25 % van zijn werkzaamheden in loondienst verricht in de lidstaat waar hij woont, niettemin worden geacht een substantieel gedeelte van die werkzaamheden in die lidstaat te hebben verricht, indien er voldoende andere aanwijzingen in die zin zijn.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de SVB voldoende had aangetoond dat KN een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst had verricht in de lidstaat waar hij woont. Daarbij nam de Centrale Raad van Beroep in aanmerking dat het schip waarop KN had gewerkt ook in 2013 en 2014 gedurende 22 respectievelijk 24 % van zijn totale vaartijd, in Nederland had gevaren, dat de belanghebbende in Nederland woonde, dat het schip daar was geregistreerd en dat zowel de eigenaar als de exploitant van het schip aldaar was gevestigd.

KN heeft tegen de beslissing van de Centrale Raad van Beroep cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden, de verwijzende rechter. Hij betoogt dat de Centrale Raad van Beroep, door rekening te houden met omstandigheden die irrelevant zijn bij de beoordeling waar hij het substantiële gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst heeft verricht, artikel 13 van verordening nr. 883/2004 en artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009 onjuist heeft toegepast. Bovendien heeft deze rechterlijke instantie volgens KN ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de werkgever in Liechtenstein is gevestigd en dat de inscheping en ontscheping van het schip in België en niet in Nederland hebben plaatsgevonden.

De visie van het Hof van Justitie

Artikel 14, lid 8, van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, moet aldus worden uitgelegd dat

het bevoegde orgaan bij de beoordeling of een persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten een substantieel gedeelte van die werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, in het kader van een algemene beoordeling van de situatie van die persoon moet nagaan of ten minste 25 % van zijn arbeidstijd en/of bezoldiging in die staat wordt verricht en/of verkregen.

In dit verband mag geen rekening worden gehouden met andere omstandigheden of criteria.

Artikel 14, leden 8 en 10, van verordening nr. 987/2009, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012, moet aldus worden uitgelegd dat, in het kader van de algemene beoordeling van de situatie van een persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, bij de beoordeling of hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, rekening moet worden gehouden met zijn verwachte situatie in de volgende twaalf kalendermaanden.

Commentaar van dhr. Bruno De Pauw, adviseur-generaal Directie Internationale Betrekkingen RSZ, die deze problematiek al besproken heeft op 21 november 2024 tijdens onze jaarlijkse webinar ‘Grensoverschrijdende sociale zekerheid: een update inclusief recente rechtspraak’:

‘Multistate werken en de 25%-drempel arbeidstijd en/of verloning in de woonstaat van de werkgever: het Europese Hof verduidelijkt dat er geen bijkomende criteria mogen gebruikt worden. Een geruststelling én overwinning voor de rechtszekerheid en eenvoud bij de bepaling van de bevoegde lidstaat voor sociale zekerheid’.

Lees hier het arrest

» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid

Boeken in de kijker: