Loontransparantie anno 2027

Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck

(Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 18 februari 2027


Arbeidsovereenkomsten onder de loep:
een must in 2026

Mr. Kato Aerts en mr. Sarah Witvrouw (Lydian)

Webinar op vrijdag 2 oktober 2026


Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update

Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)

Webinar op vrijdag 20 november 2026


Discriminatie op de werkvloer:
de laatste ontwikkelingen

Mr. Inger Verhelst (Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 24 september 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Tewerkstelling van buitenlandse
werknemers anno 2026

Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)

Webinar op vrijdag 23 oktober 2026

Scholingsbeding voor piloot. Weigering piloot deel opleidingskosten terug te betalen na gegeven ontslag. Arbeidshof Luik 22 oktober 2025 (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

De principes

Artikel 22bis van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt het volgende:

“§ 1. Onder een scholingsbeding wordt verstaan de bepaling waarbij de werknemer, die tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst een opleiding geniet op kosten van de werkgever, zich ertoe verbindt een deel van de opleidingskosten terug te betalen indien hij de onderneming verlaat vóór het verstrijken van een overeengekomen periode.

[…]

  • 2. Op straffe van nietigheid moet het beding schriftelijk worden vastgesteld, voor elke werknemer individueel en uiterlijk op het ogenblik waarop de opleiding die onder dit beding valt, aanvangt.
    Het kan enkel worden opgenomen in een arbeidsovereenkomst die voor onbepaalde duur is gesloten.
  • 3. Het geschrift moet vermelden:
    1° een beschrijving van de overeengekomen opleiding, de duur ervan en de plaats waar de opleiding zal worden gegeven;
    2° de kostprijs van de opleiding of, indien deze niet volledig kan worden bepaald, de kostenelementen die een raming van de waarde van de opleiding mogelijk maken; het loon verschuldigd aan de betrokken werknemer in het kader van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, evenals de vervoers- of verblijfskosten, mogen niet in de opleidingskost worden opgenomen;
    3° de begindatum en de geldigheidsduur van het scholingsbeding, vastgesteld overeenkomstig paragraaf 5. Wanneer de opleiding leidt tot de afgifte van een attest, valt de aanvangsdatum van de geldigheidsduur van het scholingsbeding samen met de afgifte van dat attest;
    4° het bedrag van de terugbetaling van een deel van de opleidingskosten, gedragen door de werkgever, dat de werknemer zich ertoe verbindt te betalen na afloop van de opleiding, uitgedrukt op degressieve wijze in functie van de geldigheidsduur van het scholingsbeding; dit bedrag mag de in paragraaf 5 vastgestelde grenzen niet overschrijden.

De Koning kan, op voorstel van het bevoegde paritair orgaan, de hierboven vermelde vermeldingen wijzigen of aanvullen.

  • 4. Het scholingsbeding wordt geacht niet te bestaan:
  • wanneer de jaarlijkse bezoldiging niet meer bedraagt dan 16.100 euro;
  • wanneer het geen specifieke opleiding betreft die toelaat nieuwe beroepsvaardigheden te verwerven die eventueel ook buiten de onderneming kunnen worden gevaloriseerd;
  • wanneer de aan de werknemer verstrekte opleiding kadert in het reglementaire of wettelijke kader dat vereist is voor de uitoefening van het beroep waarvoor de werknemer werd aangeworven;
  • wanneer de opleiding geen duur van 80 uur bereikt of geen waarde heeft gelijk aan het dubbele van het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen, zoals vastgesteld voor werknemers van 18 jaar of ouder bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad.
  • 5. De geldigheidsduur van het scholingsbeding mag drie jaar niet overschrijden en moet worden vastgesteld rekening houdend met de kost en de duur van de opleiding.

Het bedrag van de terugbetaling dat de werknemer verschuldigd is bij niet-naleving van de in het scholingsbeding overeengekomen periode mag niet meer bedragen dan:

  • 80% van de opleidingskost bij vertrek vóór 1/3 van de overeengekomen periode;
  • 50% van de opleidingskost bij vertrek tussen 1/3 en uiterlijk 2/3 van de overeengekomen periode;
  • 20% van de opleidingskost bij vertrek na 2/3 van de overeengekomen periode.

Dit bedrag mag echter in geen geval meer bedragen dan 30% van de jaarlijkse bezoldiging van de werknemer.”

Over de weerlegging van de argumentatie van de piloot dat het scholingsbeding niet geldig was

In tegenstelling tot wat de heer H. aanvoert, maakt de opleiding die toelaat de vereiste kwalificatie te verkrijgen om Boeing 747-vliegtuigen te besturen geen deel uit van het reglementaire of wettelijke kader dat vereist is voor de uitoefening van het beroep waarvoor hij op 28 februari 2019 door maatschappij B werd aangeworven.

De parlementaire voorbereiding stelt het als volgt, zo benadrukt het hof:
« […] er kan geen sprake zijn van een scholingsbeding in het kader van de “inwerking” die normaal plaatsvindt bij elke indiensttreding of van een opleiding die vereist is door een wettelijke of reglementaire bepaling voor de uitoefening van een beroep, wanneer de werknemer specifiek voor de uitoefening van dat beroep werd aangeworven. »

Overeenkomstig de arbeidsovereenkomst en zijn competenties werd de heer H. aangeworven “om de functie van ‘First Officer’ uit te oefenen voor de B737-sector”, dat wil zeggen dat hij specifiek werd aangeworven om Boeing 737-vliegtuigen te besturen.

De heer H. beschikte bij zijn indiensttreding bij maatschappij B over:

  • een pilotenlicentie;
  • een kwalificatie, verkregen na een aanvullende opleiding, die hem toeliet Boeing 737-vliegtuigen te besturen.

Enkel deze twee certificeringen zijn vereist om de functie van “First Officer” voor de B737-sector uit te oefenen.

Hoewel in de arbeidsovereenkomst van de heer H. wordt vermeld dat hij zijn functie mogelijk op alle types vliegtuigen van de maatschappij kan uitoefenen, geldt dit slechts “voor zover het vliegend personeel beschikt over de nodige kwalificaties om dat type toestel te besturen”. Vooraleer hij de opleiding volgde waarop het scholingsbeding betrekking heeft, beschikte de heer H. echter niet over de vereiste kwalificatie om met Boeing 747-vliegtuigen te vliegen.

Indien de opleiding noodzakelijk was geweest voor de functie waarvoor de heer H. werd aangeworven, zou deze verplicht zijn geweest en had hij geen keuze gehad om ze al dan niet te volgen. Dat is hier niet het geval, aangezien de toegang tot de B747-opleiding verloopt via een selectieprocedure waarvoor kandidaturen vrijwillig zijn.

Bovendien heeft de heer H. door het behalen van de kwalificatie om met Boeing 747-vliegtuigen te vliegen, na het volgen van de opleiding waarop het scholingsbeding betrekking heeft, van functie kunnen veranderen: hij is overgegaan van de functie van “First Officer” “Narrow Body” naar “First Officer” “Wide Body”. Deze functiewijziging ging gepaard met een addendum bij de arbeidsovereenkomst en een verhoging van zijn maandelijkse brutobezoldiging met 955,95 EUR, en dit vanaf 15 april 2021.

De oorspronkelijke functie en de nieuwe functie van de heer H. zijn dus duidelijk niet dezelfde, aangezien zowel de functietitel als de loonschaal verschillen.

De opleiding waarop het scholingsbeding betrekking heeft, maakt dan ook geen deel uit van het reglementaire of wettelijke kader dat vereist is voor de uitoefening van het beroep waarvoor de werknemer werd aangeworven. In die zin is het scholingsbeding in overeenstemming met artikel 22bis van de arbeidsovereenkomstenwet.

De opleiding laat toe nieuwe beroepsvaardigheden te verwerven die, in voorkomend geval, ook buiten de onderneming van de werkgever kunnen worden gevaloriseerd

Een scholingsbeding is niet nietig wanneer de opleiding de werknemer in staat stelt nieuwe beroepsvaardigheden te verwerven die nuttig zijn om een functie met meer verantwoordelijkheden uit te oefenen, zowel bij zijn huidige werkgever als bij een andere werkgever.

De heer H. stelt dat hij nooit de bedoeling heeft gehad deze nieuwe kwalificatie elders dan bij maatschappij B te valoriseren. In zijn conclusies stelt hij zelfs dat de kwalificatie om met Boeing B747 te vliegen hem “hoe dan ook” “van geen enkel nut” was in het kader van zijn loopbaan bij maatschappij A, aangezien deze maatschappij niet over dergelijke toestellen beschikt.

Volgens het hof berust dit argument op een onjuiste lezing van artikel 22bis van de arbeidsovereenkomstenwet.

Artikel 22bis van de arbeidsovereenkomstenwet is duidelijk, zo benadrukt het hof: het scholingsbeding wordt geacht niet te bestaan wanneer het geen betrekking heeft op “een specifieke opleiding die toelaat nieuwe beroepsvaardigheden te verwerven die in voorkomend geval ook buiten de onderneming kunnen worden gevaloriseerd”.

De parlementaire voorbereiding van de wet die artikel 22bis in de arbeidsovereenkomstenwet heeft ingevoegd, bevestigt dit, zo benadrukt het hof:
« Ten slotte moet het, wat de opleiding betreft, gaan om een specifieke, reële en ernstige opleiding die er met name toe strekt de werknemer nieuwe beroepsvaardigheden te laten verwerven, vaardigheden die door de werknemer ook buiten de onderneming kunnen worden gebruikt. »

Lees hier het arrest

» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid

Boeken in de kijker: