Rechtbank oordeelt: RSZ-regeling voor kleine/amateur sportclubs is discriminatoir! (Omnius Advocaten)

Auteur: Rob Valkeneers (Omnius Advocaten)

Publicatiedatum: april 2020

Een lang verwacht en opzienbarend vonnis in RSZ- en voetballand! De ongrondwettigheid van de gunstige RSZ-regeling voor professionele voetballers werd voor een eerste maal vastgesteld door een Belgische rechter. Mr. Rob Valkeneers stond voetbalclub Koninklijke Sporting Hasselt bij in deze procedure. Geen parafiscale voorkeursbehandeling meer voor topsporters? Hij licht het vonnis van 9 april 2020 toe.

Al jaren woedt er een hevige (politieke) controverse over de fiscale en parafiscale voordelen die worden toegekend aan topsporters in België.

Volgens diverse gereputeerde rechtsgeleerden, economen en fiscalisten  zou deze voorkeursbehandeling een discriminatie inhouden, niet enkel ten aanzien van de werknemers in de private sector, maar ook ten aanzien van amateursporters.

De Belgische regels bepalen immers dat topsporters en hun werkgevers enkel sociale bijdragen moeten betalen op een geplafonneerd maandloon (ca. € 2.350,00 per maand). Indien het werkelijke loon hoger ligt, zijn er geen sociale bijdragen verschuldigd op dit surplus.  Op die wijze worden professionele clubs en topsporters bevoordeeld en amateursporters en amateurclubs worden benadeeld.

Tot nog toe was deze stelling nog niet met succes verdedigd voor de Belgische rechtbanken.

De voetbalclub Koninklijke Sporting Hasselt betoogde op 9 maart 2020 voor de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt in een geschil tegen de RSZ dat deze regelgeving in strijd was met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

In een uitvoerig gemotiveerd vonnis van 9 april 2020 heeft de arbeidsrechtbank deze argumentatie gevolgd.

De rechtbank oordeelt dat de discriminatie niet gelegen is in de wettekst zelf, maar wel in  de artikelen 6 en 31 van het KB van 28/1/1969, zodat de rechter zelf bevoegd is om deze ongrondwettigheid te beoordelen en niet het Grondwettelijk Hof.

De rechter stelt verder dat in de huidige maatschappelijke context er geen enkele redelijke rechtvaardiging meer kan worden gegeven voor het verschil in behandeling en verwerpt de achterliggende motieven die meestal worden aangedragen voor de voorkeursbehandeling van topsporters en topclubs.

Verder geeft de rechtbank  aan: “Het komt de rechtbank eerder waarschijnlijk voor dat precies de lagere sportclubs “geen winstgevende ondernemingen” zijn en dat “zij een sociaal culturele activiteit hebben”, die eerder voor hen zou rechtvaardigen dat “de uitgaven tot het strikt minimum dienden beperkt te worden.”

(….)

Enkel de hoogte van het loon en de winstpremies verschilt. Voor de grote clubs is er daarnaast nog een belangrijk verschil aan inkomsten uit televisierechten, wat de kleine clubs ontberen. Dit zou eerder een rechtvaardiging geven voor de omgekeerde regeling, zoals “het vrijstellen van de eerste honderden euro die sporters verdienen vrij van RSZ-lasten of er een heel laag percentage opheffen en voor alles wat boven die eerste honderden euro’s wordt verdiend, worden de gewone bijdragen geïnd”. (de rechtbank verwijst hier naar een artikel van prof. Stijn Baert).

De rechtbank is dan ook in principe krachtens artikel 159 van de Grondwet ertoe gehouden om deze regels buiten toepassing te laten. De rechtbank heeft evenwel de debatten heropend om partijen toe te laten standpunt in te nemen over:

  • de vraag of het openbare orde karakter van de RSZ-wetgeving verhindert dat de rechter de artikelen 6 en 31 van het KB van 28/11/1969 buiten toepassing laat;
  • de vraag welke de gevolgen zijn voor wat betreft het eventueel buiten toepassing laten van deze specifieke regels.

Het staat voor de rechtbank dan ook vast dat kleine sportclubs en lager betaalde sportbeoefenaars disproportioneel en op een volstrekt onredelijke wijze benadeeld worden ten opzichte van grote sportclubs en de hoger betaalde sportbeoefenaars.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Lees hier een uittreksel van het vonnis van 9 april 2020 van de Arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt

Zie ook

Het vonnis van 9 april 2020 van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt (eerste kamer) is om verschillende redenen belangrijk.

UPDATE – De inhoud van het vonnis raakt aan een maatschappelijk en actueel debat. De inhoud van het vonnis wordt dan ook met argusogen gevolgd door de algemene pers.

Verder heeft het vonnis een belangrijke signaalfunctie naar andere arbeidsrechtbanken en arbeidshoven. Hoewel het vonnis enkel in een individuele casus werd geveld en in principe enkel gevolgen kan hebben voor de in het geding betrokken procespartijen, heeft het toch een ruimere draagwijdte. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat de huidige RSZ-regeling voor voetballers het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt. Aangezien het gelijkheidsbeginsel volgens het Grondwettelijk Hof zelfs één van de grondslagen vormt voor de hele democratische rechtsstaat (zie bv. GwH 12 februari 2009, nr. 17/2009, onder B.10.3), heeft de arbeidsrechter geoordeeld dat deze regeling volgens haar aangetast is met een probleem dat de openbare orde aanbelangt. Andere arbeidsrechtbanken en arbeidshoven in huidige en komende zaken zullen daardoor allicht uitgenodigd worden om ambtshalve en dus spontaan zelf ook een onderzoek te voeren naar de grondwettigheid van de betrokken regeling alvorens deze te gaan toepassen. Aldus zou het vonnis juridisch een domino-effect kunnen hebben.

Ten slotte heeft het vonnis ook een belangrijke signaalfunctie naar de politiek, nu de voorzitter van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Hasselt aangeeft dat de houdbaarheidsdatum van de huidige regeling volgens haar is verstreken. Het vonnis zal ongetwijfeld aanstaande woensdag 23/4/2020 ook druk worden becommentarieerd door de verschillende politieke fracties op de commissie financiën, alwaar de diverse wetsvoorstellen tot wijziging van de regeling zullen worden besproken. 

Lees hier het originele artikel