Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update

Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)

Webinar op vrijdag 20 november 2026


Ontslag van A tot Z anno 2027

Mr. Kato Aerts, mr. Katrien Coenen

en mr. Sarah Witvrouw (Lydian)

Webinar op donderdag 25 februari 2027


Loontransparantie anno 2027

Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck

(Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 18 februari 2027


Overname van een handelszaak:
15 knelpunten onder de loep

Mr. Vanessa Ramon en mr. Mariël Van Vynckt (Cygnus Advocaten)

Webinar op donderdag 18 maart 2027


Tewerkstelling van buitenlandse
werknemers anno 2026

Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)

Webinar op vrijdag 23 oktober 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille

Ontslag werkneemster na oprichting van eenmanszaak. Arbeidsrechtbank Antwerpen 28 oktober 2024 (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

Feiten en vorderingen

De werkneemster was sinds 26 maart 2018 voltijds en voor onbepaalde tijd in dienst bij een onderneming die zelfstandige thuisverpleegkundigen en thuisverplegingspraktijken ondersteunt, onder meer met administratieve bijstand, software en opleidingen. Zij begeleidde klanten inzake administratie, facturatie, opleidingen en contacten met mutualiteiten.

Op 15 mei 2023 ontsloeg de werkgever haar om dringende reden. Hij verweet haar:

  • concurrerende activiteiten voor een andere zorgorganisatie, waar zij als verantwoordelijke voor Oost-Vlaanderen werd voorgesteld;
  • de oprichting van een concurrerende eenmanszaak;
  • het gebruik van zijn netwerk om haar eigen activiteiten uit te bouwen, onder meer door een opleidingsverstrekker te contacteren;
  • de aankondiging van haar nieuwe activiteit op Facebook tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid.

De werkneemster betwistte het ontslag en vorderde een opzeggingsvergoeding, in hoofdorde een vergoeding wegens discriminatie op grond van gezondheidstoestand en, ondergeschikt, een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.

Ontslag om dringende reden: tijdig, maar ongegrond

Tijdigheid

De rechtbank aanvaardt dat de werkgever pas op 12 mei 2023 voldoende kennis kreeg van de feiten. Zij steunt daarvoor op een getuigenverklaring en WhatsApp-berichten over de daaropvolgende informatieverstrekking door de opleidingsverstrekker. Het ontslag van 15 mei 2023 werd dus tijdig gegeven.

Geen bewezen concurrentie of deloyaliteit

Ten gronde maakt de rechtbank een onderscheid tussen de concrete activiteiten van beide ondernemingen:

  • De werkgever ondersteunt vooral zelfstandige thuisverpleegkundigen via administratieve dienstverlening, software en opleidingen.
  • De andere organisatie brengt verpleegkundigen en zorgkundigen in contact met ziekenhuizen en zorginstellingen om tijdelijke personeelstekorten op te vangen. Zij functioneert volgens de rechtbank veeleer als een soort interimkantoor voor zorginstellingen.

Dat beide organisaties actief zijn in de zorgsector, volstaat niet om concurrentie aan te nemen. De rechtbank onderzoekt de daadwerkelijke activiteiten van de organisatie waarvoor de werkneemster werkte, niet enkel het ruimere maatschappelijke doel van de vennootschap waarvan die organisatie deel uitmaakt.

Ook concrete concurrerende handelingen zijn niet bewezen:

  • De werkneemster verleende buiten haar werkuren administratieve hulp, zoals het opmaken van facturen.
  • Er is geen bewijs dat zij klanten van de werkgever heeft geronseld.
  • De gecontacteerde opleidingsverstrekker was onafhankelijk en niet exclusief aan de werkgever verbonden. De vraag naar opleidingen was op zichzelf geen promotie van concurrerende activiteiten.
  • De oprichting van een eenmanszaak bewijst op zichzelf geen daadwerkelijke concurrentie.
  • De vermoedens over de opstart van haar activiteit tijdens ziekte zijn niet gestaafd; de werkneemster toont haar arbeidsongeschiktheid wel aan.

De werkgever bewijst bijgevolg geen dringende reden.

Berekening van de opzeggingsvergoeding

Over de duur van 18 weken loon bestaat geen betwisting. De discussie betreft vooral de waardering van de firmawagen en de opname van een forfaitaire kostenvergoeding in de berekeningsbasis.

  • Firmawagen met tankkaart – Het voordeel wordt geraamd op € 350 per maand. De werkelijke besparing voor de werknemer is bepalend, niet uitsluitend de fiscale waardering op de loonfiche.
  • Forfaitaire thuiswerkvergoeding – De vergoeding van € 100 per maand wordt opgenomen. De werkgever bewijst niet dat zij werkelijke kosten dekt; zij werd bovendien doorbetaald tijdens vakantie en ziekte.
  • Jaarlijkse berekeningsbasis – € 73.484,49.
  • Toegekende opzeggingsvergoeding – € 25.436,93 bruto, zijnde € 73.484,49 × 18/52.
Geen bijkomende schadevergoeding

Geen discriminatie op grond van gezondheidstoestand

De werkneemster werd ontslagen tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid. Volgens de rechtbank volstaat die omstandigheid niet om de bewijslast inzake discriminatie om te keren. Zij aanvaardt dat de werkgever tot ontslag overging wegens de door hem vermoede concurrentie, niet wegens de gezondheidstoestand. Ook zijn twijfels over de waarachtigheid van de arbeidsongeschiktheid leveren volgens de rechtbank in deze zaak geen discriminatie op.

Geen kennelijk onredelijk ontslag

De rechtbank wijst ook de ondergeschikte vordering op grond van cao nr. 109 af. De werkneemster toont volgens haar niet aan dat het ontslag geen verband hield met haar geschiktheid, gedrag of de noodwendigheden van de onderneming, noch dat een normale en redelijke werkgever nooit dezelfde ontslagbeslissing zou hebben genomen.

De rechtbank maakt daarmee een wezenlijk onderscheid: het niet bewezen zijn van een dringende reden betekent niet automatisch dat het ontslag ook kennelijk onredelijk is. Zij houdt hier rekening met het feit dat de werkgever niet langer wilde samenwerken met iemand van wie hij meende dat zij deloyaal handelde, hoewel dat deloyale gedrag niet bewezen werd.

Beslissing en financiële gevolgen

De werkgever wordt veroordeeld tot:

  • betaling van € 25.436,93 bruto opzeggingsvergoeding, onder aftrek van de wettelijk verschuldigde sociale en fiscale inhoudingen;
  • betaling van de in het vonnis bepaalde interest vanaf 16 mei 2023 en gerechtelijke interest vanaf 23 oktober 2023;
  • afgifte van een C4, loonfiche en fiscale fiche 281.10, zonder dwangsom;
  • betaling van de proceskosten, aan de zijde van de werkneemster begroot op € 24 bijdrage voor juridische tweedelijnsbijstand en € 3.000 rechtsplegingsvergoeding.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Lees hier het vonnis

» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid

Boeken in de kijker: