Arbeidsovereenkomsten onder de loep:
een must in 2026

Mr. Kato Aerts en mr. Sarah Witvrouw (Lydian)

Webinar op vrijdag 2 oktober 2026


Loontransparantie:
wel of geen realiteit in 2026?

Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck

(Claeys & Engels)

Webinar op dinsdag 8 december 2026


Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update

Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)

Webinar op vrijdag 20 november 2026


Discriminatie op de werkvloer:
de laatste ontwikkelingen

Mr. Inger Verhelst (Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 24 september 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Tewerkstelling van buitenlandse
werknemers anno 2026

Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)

Webinar op vrijdag 23 oktober 2026

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een Belgische arbeidsongeschikte werknemer door de Nederlandse Provincie Overijssel. Toepassing van het Nederlandse recht. Cass. 12 januari 2026 (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

De feiten

X trad op 1 mei 2017 in dienst van de Provincie, aanvankelijk als ambtenaar en vanaf 1 januari 2020 als werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst. Hij oefende de functie uit van EU-lobbyist voor OostNederland.

Hij werkte drie dagen per week vanuit zijn woonplaats in België en twee dagen per week vanuit Nederland.

Nadat X op 16 januari 2020 wegens ziekte arbeidsongeschikt was geworden, stelde de bedrijfsarts in een verslag van 28 januari 2020 vast dat de klachten van X betrekking hadden op een langdurige overschrijding van de belastbaarheid en deed zij volgende aanbevelingen:

  • herstel door rust en dosering van inspanning en ontspanning;
  • partijen moeten in gesprek gaan om een volgende overschrijding van de belastbaarheid op langere termijn te vermijden.

Op 18 februari 2020 oordeelde de bedrijfsarts dat X eigenlijk niet arbeidsongeschikt was, maar klachten had ten gevolge van stressfactoren op het werk. Op vraag van X werd het advies van de bedrijfsarts voorgelegd aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), dat op 9 juni 2020 oordeelde dat X wel degelijk arbeidsongeschikt was om een medische reden.

Ondertussen werd ook een bemiddelingstraject opgestart vanaf 1 april 2020. De bemiddeling werd stopgezet op 26 augustus 2020 omdat de bemiddelaar geen ruimte zag om het proces voort te zetten.

In het kader van de door de Nederlandse wetgeving voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers, stelde de Provincie in juli 2020 aan X een plan van aanpak voor, dat deze laatste “voor gezien” ondertekende. De bedrijfsarts stelde in dit verband voor dat partijen moesten praten over het werkpakket van X als einddoel van de reintegratie. Tussen de partijen werden vruchteloze gesprekken gevoerd over de wijziging van het werkpakket van de eiser.

De Provincie maakte een ontwerp van aangepast takenpakket over aan X met het oog op een vergadering die doorging op 18 februari 2021. Tijdens deze vergadering gaf X aan het voorstel van de Provincie niet te aanvaarden omdat hij dit met zijn raadsman wou bespreken. Daarop stelde de Provincie het door haar voorgestelde takenpakket eenzijdig vast, waartegen X en zijn raadsman protesteerden, en de raadsman op 8 april 2021 een tegenvoorstel van takenpakket formuleerde. Dat tegenvoorstel was niet aanvaardbaar voor de Provincie.

In een advies van 4 juni 2021 over de inschaling van de functie zoals voorgesteld door X op 8 april 2021, werd vermeld dat de nieuwe functie ingeschaald zou moeten worden in salarisschaal 10, daar waar aan zijn oorspronkelijke functie salarisschaal 13 werd toegekend. Na hierover door de Provincie ondervraagd te zijn, trok X zijn voorstel in omdat dit zou leiden tot een aanzienlijk loonverlies en een grote degradatie. Ondertussen had de bedrijfsarts op 16 januari 2021 het initiatief genomen om een arbeidsdeskundig onderzoek te laten voeren naar eventuele reintegratiemogelijkheden in het kader van duurzame re-integratie.

In zijn verslag van 8 april 2021 concludeerde de arbeidsdeskundige dat partijen moesten nadenken over aanpassingen om het werk beter passend te maken, waarbij hij de nadruk legde op het oplossen van werkgerelateerde stressoren. Indien er in mei 2021 geen concreet perspectief was op een succesvolle en duurzame re-integratie bij de eigen werkgever, moest volgens de deskundige overgestapt worden naar een tweede spoor, met name de re-integratie bij een andere werkgever. X was het niet eens met dit advies en vroeg aan het UWV vast te stellen dat hij niet “belastbaar” was voor meer dan 20 uur per week.

Op 16 juni 2021 oordeelde het UWV dat X in staat was om 36 uur per week te werken bestaande uit aangepaste werkzaamheden tijdens de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte.

Bij brief van 4 juli 2021 maakte de Provincie aan X kenbaar dat zij het voornemen had het dienstverband met hem te beëindigen op grond van het gegeven dat de verhoudingen ernstig en duurzaam verstoord waren en van voortzetting van de arbeidsrelatie geen sprake kon zijn.

Op 3 november 2021 leidde de Provincie voor de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel een vordering in die (onder meer) strekte tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de eiser.

Bij vonnis van 28 maart 2022 verklaarde de Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel de vorderingen van de Provincie ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De rechtbank gelastte de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen de Provincie en X op basis van artikel 7:669, derde lid, onderdeel g, van het Nederlands Burgerlijk Wetboek (NBW) en dit op 1 mei 2022.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 1 juni 2022 stelde X tegen het voormelde vonnis hoger beroep in bij het arbeidshof Brussel. De derde kamer van het arbeidshof te Brussel verklaarde bij arrest van 24 september 2024 het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk maar ongegrond. Het arbeidshof bevestigde het eerste vonnis in alle beschikkingen.

De visie van het Hof van Cassatie dat het Cassatieberoep verwerpt

De appelrechters oordelen dat de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en die omstandigheden zijn op zichzelf voldoende voor een voldragen ontslaggrond, dus maken de appelrechters van voormelde bepalingen uit het Nederlands Burgerlijk Wetboek een toepassing die niet kennelijk in strijd is met de interpretatie die deze bepalingen in het Nederlandse recht krijgen.
Het middel kan niet worden aangenomen.

De appelrechters oordelen dat, opdat sprake kan zijn van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, moet worden benadrukt dat niet elk verwijtbaar handelen van de werkgever aanleiding geeft tot de verschuldigdheid van een billijke vergoeding, maar enkel wanneer het gaat om ernstig verwijtbaar handelen, “zoals bijvoorbeeld doelbewust of disproportioneel onder druk zetten van de arbeidsrelatie.”
In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters het begrip ‘ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever’ beperken tot het doelbewust of disproportioneel onder druk zetten van de arbeidsrelatie, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

Wat betreft hun beoordeling van de vordering tot betaling van een billijke vergoeding sluiten de appelrechters zich aan bij de redenen van de arbeidsrechtbank die ze zich eigen maken en “in het bijzonder de argumenten die de arbeidsrechtbank ontwikkelde om de door [de eiser] voorgebrachte argumenten te verwerpen” en waarmee ze verwijzen naar de overwegingen van de eerste rechter onder titel 4.4.3 en in het bijzonder deze waarmee de eerste rechter antwoordt op het middel van X dat de Provincie de op haar rustende re-integratieverplichtingen niet nakwam.

Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, zijn de appelrechters ingegaan op het door X als ernstig verwijtbaar handelen van de Provincie ingeroepen overtreden van de op de Provincie rustende wettelijke re-integratieverplichtingen en betrekken de appelrechters dit in hun beoordeling van het ernstig verwijtbaar karakter van het handelen van de Provincie.
Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

Lees hier het arrest

» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid

Boeken in de kijker: