Nieuwe werkgeversverplichtingen in verband met opleiding van werknemers (Eubelius)

Auteurs: Liesbet Vandenplas en Jonas Van Campenhout (Eubelius)

Publicatiedatum: 14/09/2018

De wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk heeft de werkgeversverplichtingen in verband met opleiding grondig gewijzigd.  De nieuwe wet bevat een cascadesysteem waarmee werkgevers aan hun verplichtingen inzake de zogenaamde interprofessionele opleidingsdoelstelling moeten voldoen. We bieden u een leidraad om de verplichtingen voor uw onderneming te bepalen.

Achtergrond

Vóór 1 januari 2017 moesten werkgevers uit de private sector een bedrag gelijk aan 1,9% van hun jaarlijkse loonmassa besteden aan opleidingen voor hun personeel. Werkgevers die tot een sector behoorden die deze budgettaire doelstelling van 1,9% niet bereikt had, moesten een toeslag van 0,05% van hun jaarlijkse loonmassa betalen.

Het Grondwettelijk Hof heeft deze regeling op 23 oktober 2014 vernietigd (arrest nr. 2014/154). Als reactie hierop heeft de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk nieuwe regels inzake opleiding van personeel ingevoerd. Deze zijn geïnspireerd op het Rapport van de Expertengroep “Competitiviteit en Werk“, meer bepaald het hoofdstuk 5 ervan over “Opleidingsinspanningen van de ondernemingen“, opgesteld in november 2015. De nieuwe verplichtingen zijn op 1 januari 2017 in werking getreden.

Nieuwe verplichtingen: cascade-regeling

Werkgevers moeten jaarlijks gemiddeld vijf dagen opleiding per VTE verschaffen aan hun werknemers. Dit gemiddelde van vijf dagen is de zogenaamde “interprofessionele opleidingsdoelstelling” en wordt beoordeeld op sectorniveau. Bijgevolg hebben werknemers geen individueel recht op vijf dagen opleiding per jaar.

Alle werkgevers uit de private sector die gemiddeld minstens tien werknemers in dienst hebben, moeten deze wettelijke verplichting naleven. Bijzondere regels zijn echter van toepassing op werkgevers die een personeelsbestand tussen tien en negentien VTE’s hebben.

De wet bevat echter een cascadesysteem waarmee werkgevers aan hun verplichtingen inzake de interprofessionele opleidingsdoelstelling moeten voldoen. Werkgevers moeten in hun sociale balans aangeven op welke wijze zij hun verplichtingen zijn nagekomen.

Nieuwe sectorale collectieve arbeidsovereenkomst

Werkgevers die tot een sector behoren waarbinnen een nieuwe sectorale collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot de interprofessionele opleidingsdoelstelling gesloten is, moeten de regels daarvan naleven. Dergelijke collectieve arbeidsovereenkomsten werden onder meer reeds gesloten in PC 200, 207 en 226.

Oude sectorale collectieve arbeidsovereenkomst

Werkgevers die tot een sector behoren waarbinnen nog geen nieuwe sectorale collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten, maar waarbinnen wel een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst bestaat die het oude systeem (met betrekking tot de “1,9% loonmassa” doelstelling) invoert voor de periodes 2013-2014 en 2015-2016 en die verlengd werd voor 2017-2018, moeten de regels daarvan naleven.

Individuele opleidingsrekening

Werkgevers die tot een sector behoren waarbinnen geen enkele relevante sectorale collectieve arbeidsovereenkomst werd gesloten, kunnen voor een “individuele opleidingsrekening” kiezen.

Een individuele opleidingsrekening is een elektronisch of papieren document dat in het persoonlijk dossier van de werknemer bewaard wordt. Ze moet de werknemer een aantal kredietpunten toekennen dat minstens gelijk is aan twee opleidingsdagen per jaar. Deze kredietpunten worden pro rata herberekend voor deeltijdse werknemers en voor werknemers die in de loop van het kalenderjaar werden aangeworven. Niet-opgenomen opleidingsdagen worden automatisch naar het volgende jaar overgedragen. De individuele opleidingsrekening moet ook een “groeipad” bevatten, dit is een geleidelijke verhoging van het aantal kredietpunten met het oog op het bereiken op termijn van de interprofessionele opleidingsdoelstelling van gemiddeld vijf opleidingsdagen per VTE per jaar.

Werkgevers die gebruik willen maken van een individuele opleidingsrekening, moeten hun werknemers hierover inlichten. Bovendien moeten zij elke werknemer jaarlijks informeren over het aantal niet-opgenomen kredietpunten.

Suppletieve regels

Werkgevers die behoren tot een sector waarbinnen geen enkele relevante sectorale collectieve arbeidsovereenkomst werd afgesloten en die niet opteren voor de regeling van de individuele opleidingsrekening, vallen automatisch terug op de suppletieve regels die de wet in dat geval oplegt.

Deze suppletieve regels kunnen als volgt samengevat worden:

  • de werkgever moet een gemiddelde van twee opleidingsdagen per jaar per VTE aanbieden; het aantal opleidingsdagen wordt pro rata herberekend voor deeltijdse werknemers en voor werknemers die in de loop van het kalenderjaar aangeworven werden;
  • de betrokken werknemer kan de opleiding zowel tijdens als buiten de werkuren volgen; volgt hij de opleiding buiten de werkuren, dan heeft de werknemer recht op uitbetaling van zijn gewoon loon, maar niet op overloon;
  • de Koning kan het aantal opleidingsdagen verhogen vanaf 1 januari 2019.
Besluit

Elke werkgever moet nagaan welke opleidingsverplichting van toepassing is voor zijn onderneming. Indien er geen sectorale collectieve arbeidsovereenkomst is, heeft de werkgever de keuze tussen de individuele opleidingsrekening en de suppletieve regeling.

De individuele opleidingsrekening brengt een extra administratieve last voor ondernemingen met zich mee.

Lees hier het originele artikel