Migrerende werknemers en ouderdomspensioen. Hof van Justitie 19 september 2019 (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 10/12/2019

Waarover ging het?

Zaak C‑95/18

De echtgenote van Giesen heeft in 1970 en opnieuw in het tijdvak van 19 mei 1988 tot en met 12 mei 1993 in Duitsland gewerkt als „geringfügig Beschäftigte”, dat wil zeggen als persoon met een beperkt dienstverband. Zij was onder meer verkoopster in een kledingwinkel op basis van een oproepcontract, gedurende een aantal uren per maand en niet meer dan twee of drie dagen per maand.

Op 22 september 2006 heeft Giesen een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen en een partnertoeslag ingevolge de AOW. Deze aanvraag werd door de SVB bij besluit van 3 oktober 2007 ingewilligd. Op de partnertoeslag werd echter een korting van 16 % toegepast, omdat de echtgenote van Giesen gedurende de periode waarin zij in Duitsland werkte, niet verzekerd was geweest voor de volksverzekeringen in Nederland. Giesen heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit voor zover het de korting op die toeslag betreft. Bij besluit van 20 mei 2008 werd dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2008 heeft de Rechtbank Roermond (Nederland) het beroep van Giesen tegen het besluit van 20 mei 2008 ongegrond verklaard.

Van den Berg heeft gedurende korte perioden van 25 juni tot en met 24 juli 1972 en van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994 in Duitsland gewerkt. Daar zijn inkomsten te laag waren, kon hij in Duitsland niet als premieplichtig worden aangemerkt. Op 17 januari 2008 vroeg Van den Berg een ouderdomspensioen aan ingevolge de AOW. Bij besluit van 1 augustus 2008 heeft de SVB hem dat pensioen toegekend, echter met toepassing van een korting van 14 %, rekening gehouden met het feit dat Van den Berg in Nederland gedurende meer dan zeven jaar niet verzekerd was geweest. Bij besluit van 25 november 2008 is zijn bezwaar tegen genoemd besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en is de korting vastgesteld op 10 %.

Bij uitspraak van 19 oktober 2009 heeft de Rechtbank Maastricht (Nederland) het beroep tegen het besluit van 25 november 2008 ongegrond verklaard.

 Zaak C‑96/18

Franzen ontving krachtens de AKW in Nederland kinderbijslag voor haar dochter, geboren in 1995, die zij alléén opvoedde. In november 2002 heeft zij de SVB meegedeeld dat zij sinds 1 januari 2001 in Duitsland als kapster werkzaam was voor 20 uur per week. Aangezien haar inkomsten uit deze arbeid gering waren, was zij slechts verplicht verzekerd ingevolge de Unfallversicherung (Duitse arbeidsongevallenverzekering), zonder enige toegang tot andere Duitse socialezekerheidsregelingen. Bij besluit van 25 februari 2003 heeft de SVB de kinderbijslag ingetrokken met ingang van 1 oktober 2002.

Bij brief van 21 september 2003 heeft Franzen verzocht om haar uitsluiting van de volksverzekeringen onder toepassing van artikel 24 BUB 1999 op te heffen. Bij besluit van 15 maart 2004 heeft de SVB dit verzoek afgewezen met als motivering dat Franzen noch krachtens het Unierecht, noch krachtens het Nederlandse recht was verzekerd. De SVB stelt evenwel bij de kennisgeving van dat besluit Franzen te hebben voorgesteld de Duitse bevoegde instantie te verzoeken haar onder toepassing van artikel 17 van verordening nr. 1408/71 uitsluitend aan de Nederlandse wettelijke regeling te onderwerpen. Franzen heeft daarop niet gereageerd.

Op 30 januari 2006 vroeg Franzen opnieuw kinderbijslag aan. Deze aanvraag werd bij besluit van 27 maart 2006 door de SVB ingewilligd met ingang van het eerste kwartaal van 2006.

Bij brief van 5 juni 2007 is namens Franzen verzocht haar de kinderbijslag toe te kennen vanaf het vierde kwartaal van 2002. De SVB stelde bij besluit van 5 juli 2007 vast dat Franzen met ingang van het eerste kwartaal van 2006 geen recht meer had op kinderbijslag, maar besloot het ten onrechte uitbetaalde bedrag niet terug te vorderen. Bij besluit van 16 november 2007 werd het bezwaar van Franzen tegen het besluit van 5 juli 2007 ongegrond verklaard en werd tevens haar verzoek om herziening van 5 juni 2007 afgewezen.

Hangende het beroep van Franzen tegen laatstgenoemd afwijzend besluit bij de Rechtbank Maastricht wijzigde de SVB bij besluit van 6 februari 2008 de motivering van het besluit van 16 november 2007 en vermeldde deze organisatie dat de aanvragen voor kinderbijslag waren afgewezen omdat krachtens artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1408/71 op Franzen alleen de Duitse wetgeving van toepassing was en toepassing van de Nederlandse volksverzekeringen derhalve was uitgesloten.

Bij uitspraak van 5 augustus 2008 heeft de Rechtbank Maastricht het door Franzen ingestelde beroep tegen de besluiten van de SVB van 16 november 2007 en 6 februari 2008 ongegrond verklaard.

Besluit van het Hof van Justitie

De artikelen 45 en 48 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een migrerende werknemer die in deze lidstaat woont en op grond van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de werklidstaat, niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die woonlidstaat, ook al komt die werknemer volgens het recht van de werklidstaat niet in aanmerking voor een ouderdomspensioen of kinderbijslag.

Artikel 13 van verordening nr. 1408/71, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1992/2006, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat waar een migrerende werknemer woont en die krachtens dat artikel niet bevoegd is, het recht op een ouderdomspensioen voor die migrerende werknemer afhankelijk stelt van een verzekeringsplicht en daarmee van verplichte premiebetaling.

Lees hier het arrest van het Hof van Justitie van 19 september 2019