Managementvennootschap factureert 30 maal wedde van haar bedrijfsleider: fiscaal (on)aanvaardbaar? (LegalNews)

Auteur: LegalNews

Het hof van beroep te Gent velde op 20 juni 2017 een interessant arrest over de wanverhouding tussen wat een managementvennootschap factureerde aan een doktersvennootschap (meer bepaald €1.300.000) en wat de bedrijfsleider als wedde kreeg (€40.000 – waarschijnlijk om van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting te kunnen genieten…).

Volgens de fiscus is de managementvennootschap in casu zonder discussie een louter kunstmatige constructie: winst van de doktersvennootschap wordt overgeheveld naar een managementvennootschap, die haar inkomen (geheel of gedeeltelijk) neutraliseert met allerhande uitgaven en investeringen. Volgens de fiscus is het niet-onaanzienlijk gedeelte van de managementvergoeding dat hoger ligt dan de wedde van de bedrijfsleider duidelijk ‘overdreven’ en de fiscus kwalificeert het verschil als een abnormaal en goedgunstig voordeel.

Maar de fiscus vangt bot bij het hof van beroep, dat de redenering van de fiscus niet volgt. Volgens het hof vertrekt de fiscus ‘vanuit de niet nader verantwoorde redenering dat de belastingplichtige geen winst zou kunnen of mogen maken op het leveren van de managementprestaties en de door haar geleverde prestaties louter zou moeten factureren aan de kostprijs van haar eigen bestuurder’.

Volgens het hof bewijst de fiscus niet dat tegenover de door de managementvennootschap gefactureerde bedragen geen werkelijke tegenprestaties staan, maar is het oordeel van de fiscus louter gebaseerd op het grote verschil tussen de vergoedingen die de managementvennootschap voor haar managementprestaties ontvangt en de kostprijs van haar bedrijfsleider.

Het Hof wijst erop dat er maar sprake kan zijn van een voordeel als er geen evenwaardige tegenprestatie is en volgens het hof bewijst de fiscus ook niet dat de betaalde vergoedingen abnormaal zouden zijn (in die zin dat ze zouden afwijken van wat gangbaar is of in gelijkaardige gevallen gebruikelijk is).

Niet onbelangrijk is ook het feit dat de doktersvennootschap reeds jarenlang (dus voorafgaand aan de gecontroleerde periode) gelijkaardige managementvergoedingen betaalde.

Het hof wijst er ook op dat de fiscus de beweerde overprijs niet bewijst en ook niet verklaart welke dan wel de werkelijke waarde zou zijn van de prestaties ‘indien deze zouden geleverd worden door een onafhankelijke derde, rekening houdende met de kunde, ervaring, beschikbaarheid, rendement en aansprakelijkheid’.

En tenslotte: ook het argument van de fiscus dat uit het feit dat de managementvennootschap niet zou beschikken over werkingsmiddelen en geen werkingskosten zou hebben (de kantoren werden blijkbaar ter beschikking gesteld door de doktersvennootschap) vindt geen genade bij het hof van beroep.