Tewerkstelling van buitenlandse
werknemers anno 2026

Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)

Webinar op vrijdag 23 oktober 2026


Loontransparantie anno 2027

Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck

(Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 18 februari 2027


Discriminatie op de werkvloer:
de laatste ontwikkelingen

Mr. Inger Verhelst (Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 24 september 2026


Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update

Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)

Webinar op vrijdag 20 november 2026


Arbeidsovereenkomsten onder de loep:
een must in 2026

Mr. Kato Aerts en mr. Sarah Witvrouw (Lydian)

Webinar op vrijdag 2 oktober 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille

Loontransparantie: kan je vandaag uitleggen waarom je medewerkers verdienen wat ze verdienen? (PKF Bofidi)

Auteur: PKF Bofidi

Over de Europese richtlijn rond loontransparantie is intussen al veel gepubliceerd. De vijf basisverplichtingen, de rapporteringsdrempels en de loonvork in vacatures: die regels zijn vandaag breed bekend. Wat in de meeste artikels ontbreekt, is de juridische wijziging met de grootste praktische impact: de omgekeerde bewijslast. En in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, geldt die bewijslast vanaf de eerste werknemer in dienst, niet pas vanaf honderd. De rapporteringsplicht geldt enkel voor grotere ondernemingen, maar de bewijslast, het informatierecht en de aanpassingen aan vacatures en contracten gelden voor elke werkgever.

In de praktijk loopt het zelden fout bij het opstellen van een loonvork in een vacature, maar wel op het moment dat een werknemer een loonvergelijking opvraagt en je twee maanden tijd hebt om je verschil te verantwoorden. In dit artikel gaan we dieper in op wat de omgekeerde bewijslast concreet betekent, welke documenten je vandaag al zou moeten kunnen voorleggen en hoe je je bewijsdossier opbouwt voordat er een geschil ontstaat.

Wat verandert er juridisch?

Onder het huidige regime moet de werknemer die zich gediscrimineerd voelt zelf aantonen dat hij ongelijk beloond wordt, ongeacht of hij in een KMO of in een grote onderneming werkt. In de praktijk is dat een quasi onneembare drempel: hij heeft geen toegang tot de loongegevens van zijn collega’s, geen zicht op de loonbanden van de onderneming en geen mogelijkheid om de gehanteerde criteria te toetsen.

Vanaf juni 2026 volstaat een vermoeden van ongelijke beloning. Zodra de werknemer dat vermoeden gestaafd voorlegt, bijvoorbeeld op basis van de informatie die hij op grond van zijn nieuwe informatierecht heeft opgevraagd, verschuift de bewijslast naar de werkgever. Het is dan aan je om aan te tonen dat het loonverschil objectief verantwoord is op basis van wettelijke criteria.

Wat dat in een concrete procedure betekent: de rechter zal niet vragen of het verschil bestaat, dat is doorgaans onbetwist, maar wel waarom het bestaat en of die motivering vooraf gedocumenteerd is. Een verantwoording die pas tijdens de procedure wordt opgebouwd, weegt juridisch aanmerkelijk minder zwaar dan een verantwoording die in een bestaande loonstructuur ingebed zit.

Wat aanvaardt een rechter als objectieve verantwoording?

De Europese richtlijn en de Belgische omzetting laten ruimte voor objectieve criteria die een loonverschil kunnen verklaren. Vier categorieën worden in de praktijk aanvaard:

  1. Anciënniteit — mits gedocumenteerd in het personeelsdossier en consistent toegepast over de hele organisatie heen.
  2. Prestaties — mits objectief gemeten via een evaluatiesysteem dat ook effectief gehanteerd wordt. Eén evaluatie om de drie jaar met algemene commentaren volstaat niet
  3. Scope en verantwoordelijkheid — mits opgenomen in de functiebeschrijving op het ogenblik van de toekenning, niet retroactief gereconstrueerd.
  4. Marktverloning — mits onderbouwd met een externe bron (sectorbenchmark, salarisstudie), niet met “wij voelden aan dat dit marktconform was”.

Wat in de praktijk niet aanvaard wordt: vage verwijzingen naar “ervaring”, “potentieel”, “wat hij vroeg bij aanwerving” of “historisch gegroeid”. Wie zijn bewijsdossier vandaag opbouwt rond dat soort categorieën, bouwt aan een dossier dat het in een procedure niet zal halen.

Vier documenten die je vandaag zou moeten kunnen voorleggen

Het bewijsdossier dat de omgekeerde bewijslast vereist, bestaat in de praktijk uit vier lagen. Geen van die documenten is nieuw of exotisch, maar in veel KMO’s ontbreken er één of meerdere, of zijn ze niet up-to-date.

  1. Een functieclassificatie op de vier wettelijke criteria

Niet de functietitel telt, wel de inhoud van de functie. De richtlijn vereist een classificatie op basis van vier criteria: vaardigheden, inspanning, verantwoordelijkheid en arbeidsomstandigheden. Twee salesmedewerkers die op het eerste gezicht hetzelfde lijken te doen, kunnen na correcte classificatie in verschillende categorieën belanden, en dan is een loonverschil mogelijk objectief verantwoord.

Zonder functieclassificatie kan je in een geschil niet aantonen dat het om niet gelijkwaardige arbeid gaat. Je start het debat dan al op achterstand.

  1. Een gedocumenteerd loonbeleid met loonbanden

Loonbanden per functiecategorie, met een minimum en maximum, en met de criteria die bepalen waar binnen die band een individuele werknemer terechtkomt. De richtlijn vereist niet dat die banden publiek bekendgemaakt worden, wel dat ze bestaan, dat ze gebaseerd zijn op objectieve criteria en dat ze consistent worden toegepast.

Een loonbeleid dat enkel in het hoofd van de zaakvoerder zit, biedt geen bewijswaarde. Een loonbeleid in een document dat dateert van vóór een specifieke aanwerving doet dat wel.

  1. Een evaluatiesysteem dat ook effectief gebruikt wordt

Wie zich bij een geschil wil beroepen op prestaties als objectieve verantwoording, moet kunnen aantonen dat prestaties systematisch worden gemeten, niet alleen voor de werknemer die nu klaagt, maar voor iedereen in dezelfde categorie. Selectieve evaluaties of jaren met geen tijd gehad om evaluaties te doen ondermijnen het argument.

  1. Een procedure voor het informatieverzoek

Wanneer een werknemer schriftelijk vraagt wat collega’s in gelijkwaardige functies gemiddeld verdienen, heb je twee maanden om schriftelijk te antwoorden. Een onderneming die op dat moment nog moet beginnen met het uitwerken van zijn functieclassificatie haalt die termijn niet. Niet antwoorden leidt tot een wettelijk vermoeden van discriminatie, wat de juridische positie van de werkgever verder verzwakt.

Een eenvoudig draaiboek, wie ontvangt de vraag, wie berekent de cijfers, wie ondertekent het antwoord en waar wordt het dossier bewaard, is op zich geen zwaar document, maar maakt het verschil tussen tijdig antwoorden en niet antwoorden. De berekening zelf vraagt bovendien correcte input vanuit payroll: bonussen, variabele verloning en voordelen in natura moeten worden meegenomen, niet enkel het basisloon.

Wat in bestaande arbeidsovereenkomsten en reglementen aangepast moet worden

Naast de opbouw van het bewijsdossier vraagt loontransparantie ook een doorlichting van bestaande contractuele documenten.

Geheimhoudingsclausules over loon zijn van rechtswege nietig, ook in bestaande contracten. Heronderhandeling is niet vereist (de clausule verliest haar werking automatisch), maar standaardcontracten voor nieuwe indienstnemingen moeten aangepast worden.

Bepalingen in het arbeidsreglement die werknemers verbieden hun loon te bespreken, moeten geschrapt worden. Tegelijk is het aangewezen om in het reglement op te nemen hoe een loonvergelijking opgevraagd kan worden, zodat zowel werknemer als HR weet welke procedure gevolgd wordt.

Vacature-templates moeten een aanvangsloon of loonvork bevatten en moeten genderneutraal geformuleerd zijn, niet alleen voor toekomstige aanwervingen, maar ook als bewijs van een consistente arbeidsmarktpraktijk.

De cultuurdimensie: wat documentatie alleen niet oplost

Een sluitend bewijsdossier vermindert het procesrisico, maar lost niet alles op. Loontransparantie zet ook een bedrijfsculturele beweging in gang die losstaat van wat juridisch verplicht is.

Werknemers gaan onderling lonen vergelijken — geheimhoudingsclausules zijn immers nietig — en zullen verschillen aankaarten waar dat vroeger ongebruikelijk was. Leidinggevenden moeten dat soort gesprekken kunnen voeren zonder in defensieve modus te schieten. Het volstaat niet om aan een werknemer te kunnen uitleggen dat zijn loonverschil objectief verantwoord is, die uitleg moet ook geloofwaardig overkomen.

Dat vraagt dat leidinggevenden de logica van de loonbanden kennen en kunnen uitleggen, dat HR en management dezelfde verantwoording hanteren en dat de criteria voor een werknemer herkenbaar zijn in zijn eigen functiebeschrijving. Wie pas op het moment van een loongesprek begint na te denken over hoe een verschil verantwoord wordt, verliest het gesprek en daarna mogelijk ook de procedure.

Bron: PKF Bofidi

» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid

Boeken in de kijker: