Liefdesverklaring op het werk. Grensoverschrijdend? (Cautius)

Auteur: Annick Alders (Cautius)

Een zaakvoerder werd door de arbeidsrechtbank Hasselt schuldig geacht aan grensoverschrijdend gedrag voor het verklaren van zijn liefde aan een werkneemster. Wanneer is een bepaald gedrag – louter woorden in dit geval, geen daden – grensoverschrijdend?

Concrete casus

De zaakvoerder van een onderneming contacteert via Linkedin een jongedame omdat hij op zoek is naar een interieurontwerper. De jongedame, twintig jaar jonger dan de zaakvoerder, is op dat ogenblik nog in dienst bij haar vorige werkgever.  Na het sollicitatiegesprek gaat ze evenwel in op de werkaanbieding.

Nog geen drie weken later verklaart de zaakvoerder haar via Whatsapp zijn liefde. Hij stuurt haar “ je weet dat ik mijn hart aan u verloren heb…”. De jongedame laat hem prompt weten dat de liefde niet wederzijds is, maar vraagt hem tegelijkertijd ook hoe het nu verder moet. De zaakvoerder tracht haar in nogal warrige bewoordingen gerust te stellen.  De samenwerking komt volgens hem niet in het gedrang, zeker niet omdat de jongedame zoveel kwaliteiten en doorgroeimogelijkheden heeft. De jongedame is daar minder zeker van en voelt zich uitermate oncomfortabel bij de situatie. Dat zij elke dag tegenover de zaakvoeder in dezelfde ruimte moet werken doet er alvast ook geen goed aan. Vertwijfeld stuurt zij een mail naar de vertrouwenspersoon. Twee weken later verbreekt de zaakvoerder de arbeidsovereenkomst. Als reden geeft hij op: ‘onmogelijke samenwerking’.

De dame laat het daar niet bij en vordert voor de arbeidsrechtbank onder meer een schadevergoeding wegens seksuele intimidatie op grond van de Welzijnswet.

Grensoverschrijdend gedrag in de Welzijnswet

De arbeidsrechtbank Hasselt herhaalt in eerste instantie wat de Welzijnswet definieert als ongewenst seksueel gedrag op het werk:

‘Elke vorm van ongewenst verbaal, non verbaal of lichamelijk gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast of een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd”.

Volgens de rechtbank lijdt het geen twijfel dat het gedrag van de zaakvoerder ongewenst en grensoverschrijdend was, zowel wat de context als de gevolgen ervan betreft. Het grote leeftijdsverschil tussen beiden, de gezagsverhouding, de prille duur van de arbeidsovereenkomst enerzijds en de moeilijke werksfeer die tot stand kwam door de ontboezemingen anderzijds, creëren een bedreigende, vijandige, beledigende of kwetsende situatie voor de dame. Dat zij het emotioneel moeilijk had met de situatie en uiteindelijk minder dan twee weken later ontslagen werd, nam de rechtbank ook mee in haar oordeel.

De dame krijgt een schadevergoeding van meer dan 17.000 EUR toegewezen.

Is een liefdesverklaring nu ook al grensoverschrijdend?

Voor sommigen lijkt de uitspraak nogal verregaand. Toch als het vonnis wordt gereduceerd tot een fikse veroordeling van een zaakvoerder die zich enkel en alleen liet ontvallen dat hij zijn hart had verloren aan zijn kersverse jonge werkneemster, zonder daar enige andere daad aan te koppelen. Enkel woorden dus, geen daden. Behalve het ontslag dan.

Toch verliest deze kijk de onmogelijke positie van de werkneemster uit het oog. In wat voor situatie ziet zij zichzelf immers gedwongen wanneer haar werkgever haar zijn liefde verklaart? Ofwel gaat ze – uit angst voor jobverlies –  in op de avances van smachtende zaakvoerder en stort zich zonder veel enthousiasme in een liefdesavontuur. Ofwel wijst ze hem af en weten beiden zich geen raad meer met de afwijzing. Beide keuzes zijn niet enkel nefast voor beide partijen persoonlijk, maar in elk geval voor de arbeidsrelatie op zich.

Mag de  baas dan niet meer verliefd worden? Uiteraard wel, maar gelet op zijn gezagsverhouding met de werknemers is wel extra terughoudendheid geboden. Het is immers bijzonder moeilijk om de arbeidsrelatie an sich uit de beslissingscontext van beide partijen te elimineren.

Arbeidsrechtbank Antwerpen, afd. Hasselt, 1 april 2020, 19/145/A onuitg.

Bron: Cautius