Koopjes bij de RSZ: het hele jaar door of toch niet? Doelgroepvermindering eerste aanwerving een stand van zaken (Crivits & Persyn)

Auteur: Mariël Van Vynckt (Crivits & Persyn)

Publicatiedatum: 29/06/2021

In volle sperperiode voor de zomersolden worden we om de oren geslagen met reclame voor hoge kortingen tijdens de koppelverkoop. Tijd om ook even stil te staan bij de kortingen op socialezekerheidsbijdragen die een werkgever kan genieten voor de eerste zes aanwervingen. Aantrekkelijk, maar bedachtzaam te gebruiken, want een afwijzing door de RSZ of rechtbank heeft financiële gevolgen.

1. Voorwaarden voor de doelgroepvermindering eerste aanwerving

De Programmawet (I) van 24 december 2002 bepaalt dat een ‘nieuwe werkgever’ kan genieten van een vermindering van de socialezekerheidsbijdragen.

  • Een nieuwe werkgever in het kader van de eerste aanwerving is een werkgever die in de vier voorafgaande kwartalen geen personeel in dienst had.
  • Voor de tweede aanwerving is een werkgever ‘nieuw’ als hij in de vier voorafgaande kwartalen niet meer dan één werknemer tewerkstelde.
  • En zo gaat de definitie verder voor de derde, vierde, vijfde en zesde aanwerving. Daarbij mogen in de vier voorgaande kwartalen nooit meer dan respectievelijk twee, drie, vier en vijf werknemers in dienst zijn geweest.

De bedoeling van de doelgroepvermindering eerste aanwerving is startende ondernemingen een financieel duwtje in de rug te geven. Dit op zich nobele doel creëert evenwel een risico op misbruik, waarbij de onderneming kunstmatig in verschillende vennootschappen wordt opgesplitst om zo per vennootschap voor de eerste zes aanwervingen korting bij de RSZ te genieten.

2. De ‘technische bedrijfseenheid’ als remedie tegen mogelijk misbruik

Artikel 344 van de Programmawet bepaalt dat een ‘nieuwe werkgever’ geen vermindering van de socialezekerheidsbijdragen geniet als de aangeworven werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de vier kwartalen voor de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid (hierna: TBE) werkte. In dat geval is er namelijk geen meertewerkstelling zodat de werkgever dan ook geen recht heeft op de doelgroepvermindering.

Met andere woorden, als verschillende vennootschappen als één TBE beschouwd worden, zal de aanwerving door één van de vennootschappen, die in de vier voorafgaande kwartalen geen personeel tewerkstelde, niet automatisch leiden tot toepassing van de doelgroepvermindering. Er zal op niveau van de groep (de TBE) gekeken worden naar het aantal personeelsleden tijdens de vier voorafgaande kwartalen. Pas wanneer de nieuwe aanwerving leidt tot een verhoging van het personeelsbestand in vergelijking met die kwartalen zal de vermindering toegekend worden.

Cruciaal is de vraag wat onder het begrip ‘eenzelfde TBE’ begrepen moet worden. Precies daar wringt het schoentje. De Programmawet bevat geen definitie hiervan, zodat de RSZ alle ruimte krijgt om dit begrip naar eigen goeddunken in te vullen. En dat gebeurt ook effectief: de RSZ controleert vaak op het gebruik van de doelgroepvermindering eerste aanwerving, hanteert daarbij een eigen interpretatie van het begrip TBE en besluit op die basis – al dan niet na een summier onderzoek – vaak tot het bestaan van een TBE, met terugvordering van de genoten RSZ-kortingen tot gevolg.

Zo’n terugvordering is voor menig werkgever een bittere pil. Niet alleen krijgt hij immers de rekening van de verschuldigde RSZ-bijdragen onder de neus geschoven, hij wordt bovendien ook nog eens geconfronteerd met geldelijke sancties als de bijdrageopslagen (10%) en verwijlsinteresten (7%) op de niet-betaalde RSZ-bijdragen.

3. Wat kunt u als werkgever ondernemen tegen een terugvordering van de RSZ?

Als werkgever bent u uiteraard niet verplicht deze bittere pil zomaar te slikken. U kunt een procedure starten bij de arbeidsrechtbank om de beslissing van de RSZ te laten hervormen. Wanneer is dat zinvol?

Bij gebrek aan wettelijke definitie van het begrip TBE is het aan de rechtbank om dit soeverein te beoordelen op basis van de feitelijke situatie. Vaak wordt teruggegrepen naar de definitie van de TBE in de Wet Organisatie Bedrijfsleven. Daar wordt een TBE beoordeeld aan de hand van sociale en economische criteria. De rechter is evenwel niet gebonden door die definitie, aangezien ze enkel geldt in de specifieke context van de sociale verkiezingen.

Toch stellen wij vast dat rechters effectief kijken naar factoren die op de sociale en economische samenhang wijzen. Sociale elementen zijn bijvoorbeeld: zelfde personeelsbeleid, overkoepelende personeelsadministratie en -activiteiten, zelfde sociaal secretariaat, zelfde arbeidsreglement, zelfde arbeidsongevallenverzekeraar, … Belangrijke economische elementen zijn onder andere: zelfde maatschappelijke zetel, zelfde of aansluitende activiteiten, zelfde bestuur, … Cruciaal in de beoordeling is ook steeds het antwoord op de vraag of de werkgever zich al dan niet kunstmatig heeft opgedeeld in verschillende entiteiten om eenzelfde economische activiteit te voeren.

Hoewel ook de RSZ deze criteria hanteert, blijkt uit de praktijk dat de RSZ-inspectie relatief snel concludeert tot het bestaan van een TBE. In dergelijke gevallen, waarin de RSZ bijvoorbeeld op basis van twee of drie elementen van samenhang concludeert tot een TBE (bv. gevestigd in dezelfde regio, één werknemer gemeenschappelijk) maar tal van andere criteria niet vervuld zijn, loont het de moeite naar de rechtbank te stappen. Die zal immers een meer genuanceerd onderzoek op de feitelijke elementen toepassen. Zo zal een rechter misschien tot het besluit komen dat er een zekere complementariteit aan activiteiten tussen de verschillende vennootschappen heerst, maar hij zal zich daar niet blind op staren als blijkt dat de sociale samenhang tussen de vennootschappen bijvoorbeeld nihil is.

4. Besluit

Hoewel het recht op de doelgroepvermindering eerste aanwerving op het eerste gezicht zeer aantrekkelijk is, is het toch aangewezen dit gedegen te onderzoeken alvorens er gebruik van te maken. Het bespaart u veel kopzorgen nadien, want net zoals bij de echte solden is ruilen niet meer toegestaan, meer nog zijn zelfs bijdrageopslagen en intresten verschuldigd op de teruggevorderde bijdragen.

Lees hier het originele artikel