Is stuiting van de verjaring door de vakbond geldig als er geen schriftelijke volmacht van de werknemer werd toegevoegd? (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 13/08/2018

Het Arbeidshof te Brussel deed op 13 februari 2018 uitspraak over de vraag of bij de stuiting van de verjaring via een aangetekende brief met ontvangstbewijs door een vakorganisatie de volmacht van de werknemer moet worden toegevoegd.

Wat bepaalt de wetgeving?

Op grond van art. 15 van de arbeidsovereenkomstenwet verjaren de rechtsvorderingen die uit de arbeidsovereenkomst ontstaan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst.

In art. 2.244 BW., ingevoegd bij art. 2 van de wet van 23 mei 2013 (BS 1 juli 2013 (ed. 1), in werking getreden op 11 juli 2013, wordt bepaald:
‘Onverminderd artikel 1.146, stuit een ingebrekestelling bij aangetekende zending met ontvangstbewijs verzonden door … de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser, naar de schuldenaar met woonplaats, verblijfplaats of maatschappelijke zetel in België, tevens de verjaring en doet zij een nieuwe termijn van een jaar ingaan, evenwel zonder dat de vordering vóór de vervaldag van de initiële verjaringstermijn kan verjaren. De stuitende werking van deze ingebrekestelling is slechts eenmalig, onverminderd andere stuitingsoorzaken. …

Om een verjaringsstuitende werking te hebben, moet de ingebrekestelling volledig en uitdrukkelijk de volgende vermeldingen bevatten:

1° de gegevens van de schuldeiser: voor een natuurlijke persoon, de naam, de voornaam en het adres van de woonplaats, of, …;
2° de gegevens van de schuldenaar: …; voor een rechtspersoon, de juridische vorm, de benaming en het adres van de maatschappelijke zetel of, in voorkomend geval, van de administratieve zetel, overeenkomstig artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek;
3° de beschrijving van de verbintenis die de schuldvordering heeft doen ontstaan;
4° indien de schuldvordering betrekking heeft op een geldsom, de verantwoording van alle bedragen die van de schuldenaar worden geëist, met inbegrip van de schadevergoeding en de verwijlinteresten;
5° de termijn waarbinnen de schuldenaar zijn verbintenissen kan nakomen alvorens bijkomende invorderingsmaatregelen kunnen worden getroffen;
6° de mogelijkheid in rechte op te treden met het oog op de uitwerking van andere invorderingsmaatregelen indien de schuldenaar niet binnen de vastgestelde termijn reageert;
7° de verjaringsstuitende werking van deze ingebrekestelling;
8° de handtekening … van de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser‘

Waarover gaat de discussie?

De werkgever betwist niet dat de verplichte vermeldingen voorkomen in de aangetekende brief, maar betwist wel de lastgeving van de vakorganisatie: ze wijst erop dat art. 728 §3 Ger. W. een afgevaardigde van een representatieve organisatie slechts toelaat om op te treden voor de arbeidsgerechten, wanneer deze een schriftelijke volmacht heeft van de bediende.

Deze volmacht werd echter voorgelegd door de ontslagen werknemer als stuk 14 van haar bundel.

Wat zegt het arbeidshof?

Art. 2.244 BW vereist niet dat de volmacht bij de aangetekende brief wordt gevoegd (I. Claeys en L. Snauwaert, “De verjaringsstuitende buitengerechtelijke ingebrekestelling”, RW 2013-14, 806-807, nr. 9). De werkgever suggereert enkel, maar bewijst niet dat de volmacht ongeldig zou zijn en heeft overigens nooit een klacht neergelegd of de valsheidsprocedure opgestart. Het mandaat van de vakbondsafgevaardigde is bewezen. De verjaring werd geldig en tijdig gestuit.

Lees hier het arrest