Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Loontransparantie anno 2027
Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck
(Claeys & Engels)
Webinar op donderdag 18 februari 2027
Discriminatie op de werkvloer:
de laatste ontwikkelingen
Mr. Inger Verhelst (Claeys & Engels)
Webinar op donderdag 24 september 2026
Arbeidsovereenkomsten onder de loep:
een must in 2026
Mr. Kato Aerts en mr. Sarah Witvrouw (Lydian)
Webinar op vrijdag 2 oktober 2026
Tewerkstelling van buitenlandse
werknemers anno 2026
Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)
Webinar op vrijdag 23 oktober 2026
Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update
Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)
Webinar op vrijdag 20 november 2026
Hoofddoekenverbod in arbeidsreglement gemeenteraad is geen indirecte discriminatie. Arbeidshof Luik 27 januari 2026 (Recht op zaterdag)
Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)
De tekst van artikel 9 van het arbeidsreglement van de gemeente, tekst gewijzigd op 29 maart 2021.
Het nieuwe artikel 9, dat voortaan de titel draagt “Verplichting tot neutraliteit en plicht tot terughoudendheid”, luidt als volgt:
“De werknemer beschikt over de vrijheid van meningsuiting, met inachtneming van het neutraliteitsbeginsel, zijn plicht tot terughoudendheid en zijn plicht tot loyaliteit.
De werknemer is gehouden het neutraliteitsbeginsel te respecteren, wat inhoudt dat hij zich onthoudt van elke vorm van religieuze, ideologische of politieke propaganda, en dat het hem verboden is om enig zichtbaar teken te dragen dat zijn ideologische of filosofische overtuiging of zijn politieke of religieuze gezindheid zou kunnen onthullen. Deze regel geldt zowel in zijn contacten met het publiek als in zijn relaties met zijn hiërarchie en collega’s.
Wanneer de werknemer zich, buiten de uitoefening van zijn functie, in het openbaar of op sociale netwerken uitspreekt over algemene aangelegenheden, moet hij de fundamentele waarden van de democratische rechtsorde respecteren.
De werknemer heeft, onverminderd het vijfde lid, het recht zich uit te spreken — binnen of buiten de dienst, in het openbaar of op sociale netwerken — over feiten waarvan hij kennis kreeg in de uitoefening van zijn functie, mits hij zijn plicht tot terughoudendheid en loyaliteit naleeft. Deze verplichten hem zich steeds gematigd uit te drukken en verbieden in het bijzonder elke insinuatie, minachtende of beledigende uitdrukking. Hij mag op die manier geen afbreuk doen aan de reputatie van zijn collega’s en oversten, noch aan het vertrouwen dat het publiek in het bestuur moet hebben.
De werknemer mag, zowel tijdens als na de uitoefening van zijn functie, in het openbaar of op sociale netwerken geen feiten openbaar maken die betrekking hebben op de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, de voorkoming en vervolging van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger — in het bijzonder het recht op eerbiediging van het privéleven. Dit geldt eveneens voor feiten die verband houden met de voorbereiding van om het even welke beslissing.”
De visie van het Arbeidshof
Het recht om eender welke overtuiging aan te hangen is absoluut en onvoorwaardelijk. Daarentegen kan de uiting, door een persoon, van zijn of haar religieuze overtuigingen — voor zover die gevolgen kan hebben voor anderen — worden beperkt onder de voorwaarden bepaald in artikel 9.2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Een arbeidsreglement dat door een gemeenteraad wordt vastgesteld en dat neutraliteit oplegt aan zijn personeelsleden, voldoet aan het legaliteitsbeginsel. De gemeenteraad is dus bevoegd om in het arbeidsreglement een bepaling op te nemen die een inmenging inhoudt in de vrijheid van eender welke religieuze, ideologische of filosofische overtuiging, zonder onderscheid, en van ieder verlangt bepaalde toegevingen te doen met betrekking tot het uitdragen van zijn of haar meningen of overtuigingen, welke die ook zijn.
Gezien het bestaan van een reeds gevestigde, coherente praktijk van neutraliteit (die strijdig is met het aangevoerde beleid van “inclusieve neutraliteit”), vormt de algemene en ongedifferentieerde toepassing van de regel geen directe discriminatie. De overheid kan zich bovendien beroepen op een beoordelingsmarge. Noch de Belgische Staat, noch de deelentiteiten hebben in het algemeen gekozen voor één van de betekenissen van het neutraliteitsbeginsel.
De neutraliteit van de overheid, zowel extern als intern, is een fundamenteel beginsel dat de overtuigingen van iedereen overstijgt en garandeert. Neutraliteit en onpartijdigheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De keuze van de gemeentelijke overheid om binnen haar diensten een volledig neutrale administratieve ruimte te creëren, dient een legitiem doel.
Een regel die elk levensbeschouwelijk teken verbiedt, is ongetwijfeld geschikt om binnen de gemeentelijke diensten een volledig neutrale administratieve omgeving tot stand te brengen. In dit geval is het dragen van levensbeschouwelijke tekens, welke dan ook, inderdaad verboden voor alle personeelsleden. De geschiktheid van de maatregel is aangetoond.
Een werkgever kan besluiten om — zeker bij kwesties van principiële aard — een algemeen beleid te voeren, zonder dat dit hoeft ingegeven te zijn door concrete problemen. Het beperken van het betwiste verbod tot enkel personeelsleden met extern contact zou het legitieme doel van neutraliteit ten aanzien van het volledige personeelsbestand niet kunnen realiseren.
De genomen maatregel bewaart een juist evenwicht tussen enerzijds de individuele rechten van de werkneemster om niet gediscrimineerd te worden op grond van haar godsdienst en om die vrij te beleven, en anderzijds het recht van de gemeente om het door haar gekozen neutraliteitsbeleid toe te passen, dat erin bestaat een volledig neutrale administratieve omgeving tot stand te brengen ten voordele van de gemeenschap en haar werknemers.
Het noodzakelijke en proportionele karakter van de maatregel is aangetoond. De interne regel die elke uiting van een filosofische, politieke of religieuze mening of verbondenheid verbiedt, zoals opgenomen in artikel 9 van het arbeidsreglement, vormt noch een indirecte discriminatie, noch een onwettige beperking van de vrijheid van eredienst of godsdienst.
» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid













