Het ontslag van een arts door een katholiek ziekenhuis omdat hij hertrouwt : discriminatie? Arrest Hof van Justitie 11 september 2018 (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 02/10/2018

De feiten

IR is een vennootschap naar Duits recht, met als maatschappelijk doel om missies van Caritas – het internationale netwerk van katholieke hulporganisaties – te vervullen als uiting van het leven en wezen van de rooms-katholieke kerk. Dit doet zij onder meer door de exploitatie van ziekenhuizen. IR streeft niet in de eerste plaats winst na en valt onder het toezicht van de katholieke aartsbisschop van Keulen (Duitsland).

De katholieke JQ is gediplomeerd arts, die sinds 2000 verbonden is met een arbeidsovereenkomst op grond van de GrO 1993 met IR als afdelingshoofd Interne Geneeskunde van een ziekenhuis.

JQ was getrouwd volgens de rooms-katholieke ritus, maar in 2005 is zijn eerste echtgenote bij hem weggegaan. Hun echtscheiding werd in maart 2008 uitgesproken en in augustus 2008 heeft JQ een burgerlijk huwelijk gesloten met zijn nieuwe partner, zonder dat zijn eerste huwelijk nietig was verklaard.

Nadat IR kennis had genomen van dit nieuwe huwelijk heeft zij JQ bij schrijven van 30 maart 2009 met ingang van 30 september 2009 ontslagen.

JQ heeft bij het Arbeitsgericht (arbeidsrechter in eerste aanleg, Duitsland) beroep ingesteld tegen dit ontslag en daarbij gesteld dat zijn tweede huwelijk geen geldige reden was voor dit ontslag. Volgens JQ was zijn ontslag in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, omdat een tweede huwelijk van een protestants of niet-gelovig afdelingshoofd ingevolge de GrO 1993 geen consequenties voor diens dienstverband met IR zou hebben gehad.

Volgens IR was het ontslag van JQ sociaal gerechtvaardigd: aangezien JQ een leidinggevende functie had in de zin van artikel 5, lid 3, GrO 1993, is hij, door een naar canoniek recht ongeldig huwelijk aan te gaan, ernstig tekortgeschoten in de nakoming van de uit zijn arbeidsovereenkomst met IR voortvloeiende verplichtingen.

De gerechtelijke procedure

1. Het Arbeitsgericht heeft de vordering van JQ toegewezen

2. Nadat de hogere voorziening die IR tegen deze beslissing had ingesteld door het Landesarbeitsgericht (arbeidsrechter van een deelstaat) was verworpen, heeft IR beroep in Revision ingesteld bij het Bundesarbeitsgericht (hoogste federale rechter in arbeidszaken, Duitsland).
Deze rechterlijke instantie heeft het beroep bij arrest van 8 september 2011 verworpen, waarbij zij in wezen heeft geoordeeld dat het ontslag niet gerechtvaardigd was, aangezien IR niet-katholieke werknemers in dezelfde functie als JQ niet vanwege een tweede huwelijk zou hebben ontslagen.

3. IR heeft de zaak voorgelegd aan het Bundesverfassungsgericht. Deze rechterlijke instantie heeft het arrest van het Bundesarbeitsgericht bij beschikking van 22 oktober 2014 vernietigd en de zaak naar deze laatste instantie terugverwezen. Het Bundesarbeitsgericht is van oordeel dat de uitkomst van het hoofdgeding afhangt van de vraag of het ontslag van JQ door IR op grond van § 9, lid 2, AGG toelaatbaar is. Deze rechterlijke instantie wijst er evenwel op dat deze bepaling in overeenstemming met het Unierecht moet worden uitgelegd en dat de uitkomst van dit geschil derhalve afhankelijk is van de uitlegging van artikel 4, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2000/78, waarvan § 9, lid 2, AGG de omzetting in nationaal recht vormt.

Het standpunt van het Hof van Justitie

1. Artikel 4, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet aldus worden uitgelegd dat:

  • enerzijds, een kerk of een andere organisatie waarvan de grondslag op godsdienst of overtuiging is gebaseerd en die een ziekenhuis in de vorm van een privaatrechtelijke kapitaalvennootschap exploiteert, niet kan besluiten haar leidinggevende werknemers afhankelijk van hun geloofsopvatting te verplichten tot een houding van goede trouw en loyaliteit aan deze grondslag zonder dat deze beslissing in voorkomend geval onderworpen kan worden aan doeltreffend rechterlijk toezicht waarmee kan worden gewaarborgd dat is voldaan aan de criteria van artikel 4, lid 2, van die richtlijn, en
  • anderzijds, een verschillende behandeling van leidinggevende werknemers al naargelang hun geloofsopvatting, wat betreft de vereisten een houding van goede trouw en loyaliteit aan de genoemde grondslag aan te nemen, alleen dan verenigbaar is met de genoemde richtlijn indien, gelet op de aard van de betrokken beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgeoefend, het geloof of de overtuigingen, gezien de grondslag van de betrokken kerk of organisatie, een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd beroepsvereiste vormen dat strookt met het evenredigheidsbeginsel, waarbij het aan de nationale rechter staat om dit te toetsen.

2. Een nationale rechterlijke instantie waarbij een geding tussen twee particuliere partijen aanhangig is, is gehouden om, wanneer het voor haar onmogelijk is het toepasselijke nationale recht in overeenstemming met artikel 4, lid 2, van richtlijn 2000/78 uit te leggen, binnen de grenzen van haar bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit de algemene beginselen van Unierecht, zoals het verbod van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging dat voortaan in artikel 21 van het Handvest is neergelegd, en de volle werking van de daaruit voortvloeiende rechten te waarborgen door zo nodig elke hiermee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten.

Lees hier het arrest