Tewerkstelling van buitenlandse
werknemers anno 2026
Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)
Webinar op vrijdag 23 oktober 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Overname van een handelszaak:
15 knelpunten onder de loep
Mr. Vanessa Ramon en mr. Mariël Van Vynckt (Cygnus Advocaten)
Webinar op donderdag 18 maart 2027
Bonusbeleid anno 2027.
Warrants en CAO nr. 90 onder de juridische loep
Mr. Mieke Deconinck en mr. Jan Lein (Claeys & Engels)
Webinar op vrijdag 29 januari 2027
Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update
Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)
Webinar op vrijdag 20 november 2026
Loontransparantie anno 2027
Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck
(Claeys & Engels)
Webinar op donderdag 18 februari 2027
Het Grondwettelijk hof brengt meer duidelijkheid over het lot van de opzeggingsclausules (Loyens & Loeff)
Auteurs: Kris De Schutter, Danaïs Fol en Hanka Van Nerum (Loyens & Loeff)
Publicatiedatum: 24/10/2018
Sinds de invoering van het eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden is er onduidelijkheid over de toepasselijkheid van de opzeggingsclausules die voor 1 januari 2014 werden overeengekomen voor ‘hogere’ en ‘hoogste’ bedienden. De rechtsleer en rechtspraak namen tot op heden verschillende standpunten in en boden geen helder en uniform standpunt. Het Grondwettelijk Hof heeft nu echter in een belangrijk arrest van 18 oktober 2018, nr. 140/2018, een duidelijke richting aangegeven.
Problematiek overgangsregeling eenheidsstatuut
Voor de invoering van het eenheidsstatuut, werd de opzegtermijn voor ‘hogere’ en ‘hoogste’ bedienden in de regel bepaald via een overeenkomst tussen werkgever en bediende. In de praktijk werd een dergelijke opzeggingsclausule altijd bij aanvang van de arbeidsprestaties ingeschreven in de arbeidsovereenkomst.
Sinds de invoering van het eenheidsstatuut op 1 januari 2014 rees er onduidelijkheid over wat het lot was van dergelijke in het verleden rechtsgeldig gesloten opzeggingsclausules.
De overgangsregel van het eenheidsstatuut voerde immers de welbekende 2 stappen regel in, waarbij het eerste deel van de opzegtermijn wordt berekend in functie van de ononderbroken anciënniteit verworven op 31/12/2013 en dit op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels zoals zij van toepassing waren voor het eenheidsstatuut.
Voor de ‘hogere’ en ‘hoogste’ bedienden werd echter een afwijkende regeling ingevoerd die het eerste deel van de opzegtermijn vastlegt op één maand per begonnen jaar van anciënniteit (met een minimum van 3 maanden).
Voor ‘hogere’ en ‘hoogste’ bedienden kon dus volgens een strikte lezing van de wet geen rekening gehouden worden met een geldige opzeggingsclausule overeengekomen voor 1 januari 2014.
Deze letterlijke lezing van het eenheidsstatuut staat, zoals blijkt uit de memorie van toelichting, haaks op de bedoeling van de wetgever om de opzeggingsclausules die bestaan op 31 december 2013 onveranderd te laten gelden.
De rechtspraak en rechtsleer gingen tot op heden dan ook alle kanten uit. De ene strekking is van oordeel dat een strikte lezing van de wet vereist is en dus geen rekening mag gehouden worden met dergelijke opzeggingsclausules. De andere strekking is van mening dat deze clausules ten volle moeten worden toegepast voor de berekening van het eerste deel (en volgens sommigen zelfs het 2e deel) van de opzegtermijn.
Eindelijk duidelijkheid door het Grondwettelijk Hof
Het Grondwettelijk Hof heeft nu in het arrest van 18 oktober 2018 geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen de ‘hogere’ en ‘hoogste’ bedienden in vergelijking met ‘lagere’ bedienden, waarvoor de opzeggingsclausules onder de huidige overgangsregeling wel nog kunnen worden toegepast, een schending van het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 en 11 van de Grondwet) inhoudt.
In dit arrest heeft het Grondwettelijk Hof dus een duidelijke richting aangegeven door te oordelen dat het verbieden van de toepassing van dergelijke opzeggingsclausules voor de berekening van de eerste stap van de opzegtermijn ongrondwettelijk is.
Het lot van de opzeggingsclausules
Het staat vast dat de arbeidsrechtbanken en –hoven dit arrest niet naast zich neer kunnen leggen. Zij zullen dus met andere woorden de geldige opzeggingsclausules die bestonden op 31 december 2013 moeten toepassen voor de berekening van de opzegtermijn, zelfs indien ze minder gunstig zijn dan de huidige wettelijke minimumtermijn.
Het lot van de opzeggingsclausules is hiermee echter nog niet helemaal duidelijk. Er is immers nog geen oordeel geveld over de impact van dergelijke clausules op het tweede deel van de opzegtermijn (voor de periode na 1 januari 2014), zeker indien deze clausules gunstiger zijn dan de wettelijke opzegtermijn.
Het is dan ook afwachten welke weg de toekomstige rechtspraak zal inslaan en vooral of onze wetgever het initiatief zal nemen om een wijziging van de wetgeving door te voeren.
» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid














