Het Arbeidshof van Brussel stuwt de schadevergoeding toegekend voor het miskennen van de hoorplicht in het kader van ontslag naar omhoog (GD&A Advocaten)

Auteurs: Gitte Laenen en Anton Geerts (GD&A Advocaten)

Publicatiedatum: 09/09/2021

De overheidswerkgever is verplicht het middels arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur tewerkgestelde personeelslid te horen alvorens tot zijn / haar ontslag over te gaan. Door geen voorafgaande hoorzitting te organiseren begaat de overheidswerkgever een fout waardoor het personeelslid de kans ontnomen wordt om zijn betrekking te behouden. Het Arbeidshof raamt de schadevergoeding op 20.965,20 EUR bruto, doch kent uiteindelijk “slechts” 7.500,00 EUR toe vermits het betrokken personeelslid enkel dit laatste bedrag vorderde.

Bespreking van het arrest van het Arbeidshof van Brussel van 9 maart 2021.

Wanneer een overheidswerkgever een personeelslid, tewerkgesteld middels arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, wenst te ontslaan, dient de hoorplicht nageleefd te worden. Niettemin blijkt uit recente rechtspraak dat lokale besturen de toepassing van de hoorplicht bij een ontslag van een overheidscontractant nog vaak achterwege durven laten, hetgeen echter grote – te vermijden – financiële repercussies met zich kan meebrengen. Deze nieuwsbrief licht een recent arrest van het Arbeidshof te Brussel toe waarbij het hof een zeer hoge schadevergoeding toegekend zou hebben, ware het niet dat het personeelslid een lagere schadevergoeding had gevorderd.

Bij ontslag van een overheidscontractant moeten lokale besturen de hoorplicht naleven

Wanneer een lokaal bestuur ervoor zou opteren om een van haar contractuele personeelsleden tewerkgesteld middels arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur te ontslaan, mag niet uit het oog verloren worden dat de arbeidsovereenkomst zich situeert in de publieke sector. Dit brengt met zich mee dat het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur audi alteram partem of de hoorplicht ten volle speelt. Dit beginsel legt aan het bestuur de verplichting op om haar personeelslid, ten aanzien van wie om redenen die verband houden met zijn persoon of gedrag een ernstige maatregel wordt overwogen, voorafgaandelijk te horen.

In zijn arrest van 6 juli 2017 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat dit beginsel eveneens van toepassing is op het contractueel overheidspersoneel.

Bij arrest d.d. 22 februari 2018 verklaarde datzelfde hof dat de hoorplicht ook van toepassing is bij het ontslag om dringende reden van contractueel overheidspersoneel.

De heersende rechtspraak omtrent het miskennen van de hoorplicht

Reeds sinds 2018 is de miskenning van de hoorplicht door een overheidswerkgever bij het ontslag van een overheidscontractant geregeld een twistpunt gebleken voor de arbeidsgerechten en arbeidshoven.

Rode draad doorheen het gros van de gekende vonnissen en arresten is de theorie van het verlies van een kans. Het leerstuk van het verlies van een kans komt aan bod in situaties waarin iemand een reële mogelijkheid, maar niet de zekerheid heeft om een voordeel te verwerven of een nadeel te vermijden en welke mogelijkheid tenietgaat door andermans fout in de zin van artikelen 1382-83 oud Burgerlijk Wetboek. Ook een geringe kans komt voor vergoeding in aanmerking.

Het miskennen van de hoorplicht is een fout die een lokaal bestuur verweten kan worden waardoor de betrokken overheidscontractant de kans ontnomen wordt om zijn of haar betrekking te behouden. Indien de hoorplicht wel was nageleefd en de overheidscontractant aldus zijn grieven had kunnen meedelen, had deze laatste de mogelijkheid – doch niet de zekerheid – gehad om zijn of haar betrekking te behouden.

Aangezien de hoegrootheid van de precies geleden schade van het verlies van een kans zeer moeilijk begroot kan worden, kennen arbeidsrechtbanken en -hoven vaak een schadevergoeding ex aequo et bono toe, naar gelang het geval veelal begroot tussen 2.500,00 en 5.000,00 EUR. Niettemin zijn er ook hoven en rechtbanken die geen ex aequo et bono schadevergoeding toekennen vermits de betrokken overheidscontractant het causaal verband tussen de fout van lokaal bestuur en de door hem of haar aangevoerde schade niet kan aantonen.

Het Arbeidshof van Brussel stuwt de schadevergoeding toegekend voor het miskennen van de hoorplicht de hoogte in

Zo diende ook het Arbeidshof van Brussel op 9 maart 2021 te oordelen over het miskennen van de hoorplicht door een OCMW. Het betrokken OCMW had een personeelslid, tewerkgesteld middels – mondelinge – arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, niet gehoord vóór zijn ontslag, waarna het betrokken personeelslid eerst naar de Arbeidsrechtbank en later het Arbeidshof stapte.

In lijn met de heersende rechtspraak past het Arbeidshof van Brussel het leerstuk van het verlies van een kans toe.

In tegenstelling tot diezelfde heersende rechtspraak gaat het hof, voor de berekening van de ex aequo et bono schadevergoeding voor het verlies van een kans, echter uit van een hele reeks feitelijkheden en hypotheses. Zo stelt het hof dat betrokkene reeds vier jaar bij het OCMW tewerkgesteld was en dat het bestuur tot kort voor het ontslag tevreden was over diens werk. Betrokkene werd uiteindelijk op 23-jarige leeftijd ontslagen.

Vervolgens maakt het hof de assumptie dat betrokkene door zijn ontslag zonder voorafgaande hoorzitting een reële kans verspeeld heeft om tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst te blijven van het OCMW. Echter erkent het hof ook dat er geen enkele garantie is dat het betrokken personeelslid vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ontslag zou hebben genomen of zou zijn ontslagen.

Niettemin, zo vervolgt het hof, wordt het Belgisch openbaar ambt gekenmerkt door een stabiele tewerkstelling, waardoor het niet onmogelijk is te denken dat betrokkene nog vijf jaar in dienst van het OCMW had kunnen blijven. De kans om in die periode niet te worden ontslagen of ontslag te nemen, schat het hof ‘redelijkerwijs’ op 25%.

In casu begroot het hof de schadevergoeding dan ook op 20.965,20 EUR bruto. Om op dit bedrag uit te komen vermenigvuldigt het hof het bruto jaarloon van het personeelslid met 5 jaar en 25%.

Desondanks kent het hof een schadevergoeding van “slechts” 7.500,00 EUR toe vermits het betrokken personeelslid slechts dit laatste bedrag had gevorderd voor de miskenning van de hoorplicht.

Moraal van het verhaal

Hoewel het voormeld arrest op het eerste zicht bol staat van – subjectieve – veronderstellingen, zijn lokale besturen wederom gewaarschuwd wanneer zij de hoorplicht zouden miskennen indien het ontslag van een personeelslid tewerkgesteld middels arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur wordt overwogen.

De door de rechtspraak toegekende schadevergoedingen mogen dan wel divers zijn, het besproken arrest kan een kostelijk precedent betekenen. Het organiseren van een correcte hoorzitting kan een financiële aderlating dan ook makkelijk in de kiem smoren.

GD&A Advocaten staat lokale besturen bij het uitwerken van een correcte ontslagprocedure – en dus ook bij het organiseren en doorlopen van een hoorzitting – graag bij.

Bronnen
  • GwH 6 juli 2017, nr. 86/2017.
  • GwH 22 februari 2018, nr. 22/2018.
  • Arbh. Brussel 9 maart 2021, JLMB 2021/15, 671.

Lees hier het originele artikel