Hervorming Europese blauwe kaart – Soepelere voorwaarden om meer onderdanen van derde landen aan te trekken (Claeys & Engels)

Auteur: Claeys & Engels

Richtlijn 2021/1883 van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan werd vorige week gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze richtlijn, die uiterlijk op 18 november 2023 in nationaal recht moet zijn omgezet, moet het voor Europese werkgevers gemakkelijker maken om niet-Europese werknemers aan te trekken die noodzakelijk zijn om hun activiteiten verder te ontwikkelen. Hieronder vindt u een overzicht van de nieuwe regels en mogelijke gevolgen ervan voor het Belgisch recht.   

Nood aan hervorming

Het aantal door de lidstaten uitgereikte Europese blauwe kaarten bleef tot dusver eerder marginaal. De geringe belangstelling kan onder meer worden toegeschreven aan de te restrictieve voorwaarden, het ontbreken van een vlotte mobiliteit binnen de EU, en de concurrentie met andere nationale mogelijkheden om hooggekwalificeerde werknemers aan te werven.

Het aantal uitgereikte Europese blauwe kaarten in België is vooral om laatstgenoemde reden beperkt gebleven (118 kaarten in 2020). In België concurreert deze categorie immers met de ruimere categorie van hooggekwalificeerde werknemers, waarvoor lagere salarisdrempels gelden.

Een hervorming met een grote beleidsvrijheid voor de lidstaten

De belangrijkste wijzigingen van de “Europese blauwe kaart” zijn de volgende:

  • Soepelere voorwaarden: de salarisdrempel wordt teruggebracht tot een marge tussen 100% en 160% van het gemiddelde bruto jaarsalaris, met de mogelijkheid om te voorzien in een marge tussen 80% en 100% voor knelpuntberoepen en voor jonge afgestudeerden. De minimumduur van een arbeidsovereenkomst wordt ook teruggebracht tot zes maanden in plaats van één jaar.
  • Mobiliteit binnen de EU: de richtlijn voorziet enerzijds in een recht op kortetermijnmobiliteit binnen de EU. De houder van een Europese blauwe kaart heeft ingevolge voormeld recht de mogelijkheid om 90 dagen per periode van 180 dagen in een andere lidstaat te verblijven en te werken zonder dat hij daarvoor een toelating nodig heeft. Anderzijds voorziet de richtlijn in een recht op langetermijnmobiliteit dat de houder van een Europese blauwe kaart het recht geeft om, na twaalf maanden legaal in de eerste lidstaat te hebben verbleven, in een tweede lidstaat te verblijven en er te werken, door in de tweede lidstaat een aanvraag in te dienen uiterlijk één maand na binnenkomst op het grondgebied van dat land. Voor zowel korte- als langetermijnmobiliteit bestaan er specifieke regelingen, afhankelijk van de vraag of de lidstaten het Schengenacquis al dan niet volledig toepassen.
  • Gelijkwaardigheid van vaardigheden: de richtlijn vergemakkelijkt de erkenning van beroepsvaardigheden voor bepaalde beroepen in de informatie- en communicatietechnologieënsector. In bepaalde sectoren zullen ook aanvragers met een beroepservaring gelijkwaardig aan kwalificaties van een diploma van het hoger onderwijs, een aanvraag kunnen indienen.

Net als nu het geval is, belet de nieuwe richtlijn de lidstaten niet om een andere vergunning dan een Europese blauwe kaart af te geven met het oog op een hooggekwalificeerde baan. Er zullen dus verschillen tussen de nationale wetgevingen blijven bestaan.

Omzetting in België?

Bij de omzetting ervan in België beschikken de Gewesten over een grote beleidsvrijheid. Het succes van de Europese blauwe kaart zal bijgevolg afhangen van de salarisdrempels die door hen zullen worden vastgesteld.

Actiepunt

Eenmaal de richtlijn 2021/1883 in het Belgisch recht is omgezet, zijnde uiterlijk op 18 november 2023, zal bij aanwerving van een onderdaan van een derde land moeten worden nagegaan of deze in aanmerking kan komen voor een Europese blauwe kaart. Het succes van deze vergunning zal echter afhangen van de keuzes die de Gewesten maken bij de omzetting van de nieuwe richtlijn.

Bron: Claeys & Engels