Havenarbeid: Katoen Natie tegen Belgische Staat. Arrest Hof van Justitie van 11 februari 2021 (LegalNews)

Auteur: LegalNews

Publicatiedatum: 15/02/2021

Waarover gaat het?

Het laden en lossen van schepen in havens door havenarbeiders werd doorgaans onder onregelmatige en zware omstandigheden gedaan. Hun strijd om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden, met steun van goed georganiseerde vakbonden, heeft ertoe geleid dat veel staten specifieke voorschriften hebben vastgesteld om die arbeidsverhouding te reguleren.

De verschillende nationale regelingen hadden gemeen dat de betreffende werkzaamheden exclusief waren voorbehouden aan havenarbeiders die deel uitmaakten van een strikt afgebakende groep of pool (van „erkende” havenarbeiders, zoals zij in de onderhavige zaken veelal worden aangeduid). Ondernemingen die havendiensten aanboden, moesten verplicht gebruikmaken van erkende havenarbeiders.

Door de technologische ontwikkelingen zijn de stuw- en overige havenwerkzaamheden veranderd, maar de arbeidsregelingen die het „monopolie” van erkende havenarbeiders in de hand werkten, bestaan in sommige lidstaten nog steeds in meer of mindere mate.

In 2014 heeft het Hof de Spaanse arbeidsregeling voor havenstuwage, die de traditionele patronen op dit gebied volgde, onverenigbaar verklaard met de vrijheid van vestiging van artikel 49 VWEU.

Ondanks de inspanningen van de Commissie is de wetgever van de Unie er noch voor, noch na dat arrest in geslaagd het deel van de regeling voor het verrichten van havendiensten dat betrekking heeft op de arbeidsverhoudingen en ‑voorwaarden van havenwerkers te harmoniseren.

Deze twee prejudiciële verwijzingen bieden het Hof de mogelijkheid om vast te stellen of het Belgische stelsel (dat een bijzondere regeling voor de aanwerving van havenarbeiders omvat) verenigbaar is met de vrijheid van vestiging. Tegelijkertijd zal het te wijzen arrest het Hof de mogelijkheid bieden aanvullende criteria vast te stellen om te verduidelijken dat de regeling voor havenwerkers aan de eisen van het recht van de Unie, en dan met name aan die van de vrijheid van vestiging, moet voldoen. Havens staan niet buiten de wet.

De conclusie van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona

In zaak C471/19:

1) Artikel 49 VWEU en artikel 15, lid 2, en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verzetten zich in beginsel niet tegen een systeem voor de erkenning van havenarbeiders dat ten doel heeft om de veiligheid in havengebieden te beschermen, mits de voorwaarden voor de toepassing ervan zijn gebaseerd op transparante, objectieve en niet-discriminerende criteria die vooraf kenbaar zijn, en zij havenarbeiders uit andere lidstaten in staat stellen om aan te tonen dat zij in hun staat van herkomst voldoen aan vereisten die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op nationale havenarbeiders.

Voorwaarden voor de toepassing van het systeem voor de erkenning van havenarbeiders die een gesloten aanwervingsmechanisme instellen dat onder controle van de vakbonden en werkgeversorganisatie van elke haven staat en die onevenredige beperkingen opleggen aan de vrijheid van vestiging van ondernemingen en het vrije verkeer van werknemers uit andere lidstaten, zijn onverenigbaar met voornoemde bepalingen van Unierecht.

2) Rechtsonzekerheid en het risico van sociale onvrede zijn geen dwingende redenen van algemeen belang die een rechtvaardiging vormen voor de voorlopige handhaving van een systeem voor de erkenning van havenarbeiders zoals beschreven in het vorige punt, dat onverenigbaar is met het Unierecht.”

In zaak C407/19:

„Artikel 49 VWEU en artikel 45 VWEU verzetten zich tegen een nationale regeling die de voorafgaande erkenning van havenarbeiders vereist als voorwaarde voor de toegang tot havenarbeid, wanneer de voorwaarden voor de toepassing ervan een van de volgende elementen omvatten:

  • het gebruik van administratieve commissies die paritair zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de plaatselijke werkgeversorganisatie en de vakbonden in elk havengebied en die het mogelijk maken dat bij het nemen van besluiten over erkenningsverzoeken reeds in het havengebied aanwezige marktdeelnemers controle uitoefenen over de toelating van nieuwe werknemers middels een procedure die behoorlijke procedurele waarborgen ontbeert;
  • vereisten inzake medische en psychische geschiktheid en vakbekwaamheid, indien de certificering van de naleving daarvan in handen is van een orgaan dat onder controle staat van de werkgeversorganisatie en de vakbonden in elke haven;
  • de omstandigheid dat havenarbeiders die niet in het contingent (de pool) zijn opgenomen, gedurende uitsluitend de looptijd van hun arbeidsovereenkomst worden erkend en dat er een overgangsregeling geldt die die looptijd beperkt;
  • een bij collectieve overeenkomst overeengekomen beperking van de mobiliteit van havenarbeiders tussen de verschillende havengebieden van een lidstaat;
  • het vereiste voor logistieke werknemers om te beschikken over een veiligheidscertificaat dat moet worden vernieuwd voor elke arbeidsovereenkomst en dat de vorm heeft van een door een particuliere onderneming afgegeven pas.”

Lees hier de volledige tekst ivm de Conclusie van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona op 10 september 2020

Het arrest van het Hof van justitie op 11 februari 2021

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1) De artikelen 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan personen of ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitvoeren, waaronder ook activiteiten die geen verband houden met het laden en lossen van schepen in strikte zin, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die ter uitvoering van die regeling zijn vastgesteld, mits die voorwaarden en bepalingen gebaseerd zijn op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria aan de hand waarvan havenarbeiders uit andere lidstaten kunnen aantonen dat zij in hun lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige eisen voldoen als die welke voor binnenlandse havenarbeiders gelden, en er voorts geen sprake is van een beperkte pool van havenarbeiders die voor een dergelijke erkenning in aanmerking kunnen komen.

2) De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan:

  • de erkenning van havenarbeiders gebeurt door een administratieve commissie die paritair is samengesteld uit leden die door werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties zijn aangewezen;
  • deze commissie, afhankelijk van de behoefte aan arbeidskrachten, ook bepaalt of de erkende arbeiders al dan niet moeten worden opgenomen in een pool van havenarbeiders, waarbij voor de niet in die pool opgenomen havenarbeiders de duur van de erkenning beperkt is tot de duur van hun arbeidsovereenkomst, zodat voor elke nieuwe overeenkomst die zij sluiten, een nieuwe erkenningsprocedure moet worden gestart, en
  • er geen maximumtermijn is waarbinnen die commissie een besluit moet nemen.

3) De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke een werknemer, tenzij hij kan aantonen dat hij in een andere lidstaat aan gelijkwaardige voorwaarden voldoet, slechts kan worden erkend als havenarbeider indien hij:

  • medisch geschikt voor havenarbeid is verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarbij de organisatie is aangesloten die onder haar leden verplicht alle werkgevers telt die actief zijn in het betrokken havengebied;
  • geslaagd is voor de psychotechnische tests die zijn afgenomen door het orgaan dat daartoe door die werkgeversorganisatie is aangewezen;
  • een voorbereidende cursus van drie weken over veilig werken heeft gevolgd met het oog op het verwerven van vakbekwaamheid, en
  • geslaagd is voor de eindproef, mits de taak die aan de werkgeversorganisatie en, in voorkomend geval, aan de vakbonden van erkende havenarbeiders is opgedragen bij de aanwijzing van de organen die met het verrichten van dergelijke onderzoeken, tests of proeven zijn belast, niet van dien aard is dat daardoor het transparante, objectieve en onpartijdige karakter van die onderzoeken, tests of proeven in twijfel wordt getrokken.

4) De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig het wettelijk kader dat op hen van toepassing was vóór de inwerkingtreding van die regeling, deze erkenning op grond van de nieuwe regeling behouden en worden opgenomen in de pool van havenarbeiders waarin die nieuwe regeling voorziet.

5) De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke voor de overgang van een havenarbeider naar de pool van werknemers van een ander havengebied dan dat waar hij is erkend, de bij collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde voorwaarden en bepalingen gelden, mits deze voorwaarden en bepalingen noodzakelijk zijn voor het doel om de veiligheid in elk havengebied te waarborgen, en evenredig zijn aan dit doel, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.

6) De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke logistieke werknemers moeten beschikken over een „veiligheidscertificaat” dat wordt afgegeven op vertoon van hun identiteitskaart en hun arbeidsovereenkomst en waarvan de wijze van afgifte en de procedure voor de verkrijging ervan bij collectieve arbeidsovereenkomst zijn vastgesteld, mits de voorwaarden voor de afgifte van dat certificaat noodzakelijk zijn voor het doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen, en evenredig zijn aan dit doel, en de procedure voor het verkrijgen ervan geen buitensporige en onevenredige administratieve lasten met zich meebrengt.

Lees hier het arrest van het Hof van Justitie (11 februari 2021)