Grensoverschrijdend werken: welk arbeidsrecht toepassen? (SoConsult/Bellaw)

Auteur: Willy van Eeckhoutte (SoConsult/Bellaw)

Publicatiedatum: juni 2021

Was mei eerder somber, twee hogere rechtscolleges lieten die maand een lichtstraal(tje) schijnen op twee deelfacetten van de vraag naar de toepasselijke wetgeving bij grensoverschrijdende tewerkstelling. In de vorige aflevering van SoCompact was dat het Hof van Justitie over het toepasselijke socialezekerheidsrecht. In deze aflevering geeft het Belgische Hof van Cassatie een verduidelijking voor de aanwijzing van het toepasselijke arbeidsrecht.

De partijen bij een arbeidsovereenkomst kunnen, zoals die bij om het even welke overeenkomst, vrij kiezen welk recht op hun contractuele samenwerking van toepassing is. Wel kan die keuze er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest van de dwingende bepalingen van het (arbeids)recht van het land waar de werknemer gewoonlijk werkt in uitvoering van de arbeidsovereenkomst (zie Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2020-2021nr. 311).

Wat is de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht? Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarnaar het Hof van Cassatie verwijst in het hieronder nader aangewezen arrest, is dat de plaats “waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht”.

Het bijwoord daadwerkelijk laat uitschijnen dat het de feitelijke situatie is die in aanmerking komt en niet wat “op papier staat”. Toch is dat wat kort door de bocht geredeneerd, zo blijkt uit het cassatiearrest. Om uit te maken wat de plaats van “gewoonlijke” arbeid is, mag wel degelijk rekening worden gehouden met de wijze waarop de partijen de uitvoering van de overeenkomst hebben geregeld, m.a.w. met de afspraken die de partijen maakten. Enkel als de werknemer aan de hand van objectieve factoren aantoont dat hij zijn werkzaamheden feitelijk op een andere plaats moest verrichten, moet wat de overeenkomst daaromtrent bepaalt, terzijde worden geschoven.

De redenering is dus gelijkaardig aan die welke op grond van de Arbeidsrelatieswet moet worden gevolgd om de aard van een arbeidsrelatie te bepalen: wat de partijen zijn overeengekomen, moet terzijde worden geschoven als de feitelijke situatie daarmee onverenigbaar is. Toch is er een verschil: volgens het Hof van Cassatie “kan” de rechter, om de plaats te bepalen waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, rekening houden met de wijze waarop de partijen bij de arbeidsovereenkomst de uitvoering van hun overeenkomst hebben geregeld. Als het over de arbeidsrelatie gaat, “moet” hij dat.

Bron: Cass. 10 mei 2021, S.20.0003.N

Lees hier het originele artikel