De overdracht van auteursrechten door werknemers of zelfstandigen
Een analyse na de
wet van 19 juni 2022

Webinar op 25 oktober 2022

 

Ontslagmotivering:
een praktijkgericht overzicht

Webinar op 17 november 2022

 

 

In conflict met de RSZ

Webinar op 21 oktober 2022

Car policies:
15 aandachtspunten
onder de loep

Webinar op 6 oktober 2022

 

Grensoverschrijdend gedrag: what’s in a name?

Webinar on demand

Het nieuw fiscaal regime voor buitenlandse kaderleden vanaf 1 januari 2022

Webinar on demand

Drie functies en nog geen vertrouwenspost (Bellaw/SoConsult)

Auteur: Willy van Eeckhoutte (Bellaw/SoConsult)

1. Drie functies en “niet beloond naar werk”

In de onderneming van een consultant die KMO’s adviseert en bijstaat, cumuleert een werknemer niet minder dan drie functies van een zeker niveau: organisatieconsulent, technisch assistent en attaché van de algemene directie.

Na zijn ontslag, klassieke aanleiding tot “bezinning” over de beëindigde arbeidsrelatie, eist de werknemer van zijn vroegere werkgever overloon omdat hij prestaties verrichtte boven de arbeidsduurgrenzen. De werkgever werpt tegen dat de arbeidsduurgrenzen voor de betrokkene niet golden aangezien hij een werknemer was die een “leidende functie” uitoefende of een “vertrouwenspost” bekleedde, zoals overigens vermeld in de arbeidsovereenkomst waarmee hij als organisatieconsulent was aangeworven.

2. Drie rechters: geen vertrouwenspost

2.1. Twee feitenrechters

Zoals de eerste rechter verklaart de rechter in hoger beroep de vordering van de werknemer principieel gegrond en beslist hij dat de betrokkene wel degelijk onder de wettelijke arbeidsduurregeling viel.

De rechter in beroep stelt vast dat geen van de functies die de werknemer uitoefende, voorkomt in de lijst van het koninklijk besluit van 1965 (!) dat op beperkende wijze opsomt wie kan worden beschouwd als persoon belast met een leidende functie of een vertrouwenspost. Maar hij onderzoekt toch of de werknemer omwille van zijn verantwoordelijkheden of functie-inhoud niet als een dergelijke persoon kan worden beschouwd.

De motieven waarop de rechter in beroep tot de conclusie komt dat dit niet het geval is, vat de werkgever in zijn cassatieberoep tegen de beslissing als volgt samen:

  • de werknemer had geen autonome beslissingsbevoegdheid,
  • kon zijn werkgever niet binden m.b.t. beslissingen van een zeker belang,
  • moest de richtlijnen van zijn werkgever naleven en bij hem regelmatig rekenschap afleggen over de uitvoering van de stappen die hij zette ten overstaan van klanten.

Tegen de uitspraak in hoger beroep tekent de werkgever cassatieberoep aan. Hij voert aan dat geen van de bovenvermelde elementen de beslissing wettig verantwoordt en meer bepaald dat,

  • anders dan een leidende functie, een vertrouwenspost geen autonome beslissingsbevoegdheid vereist,
  • de lijst van het koninklijk besluit van 1965 dat opsomt wie moet worden beschouwd als persoon met een leidende functie of een vertrouwenspost, niet noodzakelijk betrekking heeft op werknemers die hun werkgever kunnen vertegenwoordigen bij beslissingen met een zeker belang,
  • een persoon die een vertrouwenspost bekleedt een werknemer is en dus uiteraard de richtlijnen van de werkgever moet volgen.

2.2. Het Hof van Cassatie

De beslissing

In het hieronder nader aangewezen arrest verwerpt het Hof van Cassatie het cassatieberoep van de werkgever.

Het Hof verwijst daarvoor naar degenen die het koninklijk besluit van 1965 noemt “personen die onder hun verantwoordelijkheid de onderneming tegenover derden kunnen verbinden” (in artikel 2, I, 3) voor wie de juiste plaats wil kennen; zie ook Sociaal Compendium Arbeidrecht 2021-2022, nr. 1608). Dergelijke bevoegdheid geeft aan een werknemer maar de hoedanigheid van persoon met een vertrouwenspost, hoedanigheid die hem uitsluit van de wettelijke regels over de arbeidsduur, als zij betrekking heeft op verbintenissen van een zeker belang, aldus het Hof.

Wie anders beweert, heeft het niet bij het rechte eind (zijn “middel faalt naar recht”).

Wat er staat

Het Hof van Cassatie lijkt daarmee aan te geven dat, anders dan de rechter in beroep deed, het begrip “persoon met een vertrouwenspost bekleed” niet zomaar in het algemeen mag worden ingevuld, maar moet worden gekoppeld aan een van de omschrijvingen van het koninklijk besluit van 1965. Daarbij ligt dan de hierboven geciteerde derde omschrijving voor de hand. Maar het Hof zegt dat niet met zoveel woorden.

Wat wel uit het arrest van het Hof kan worden afgeleid, is dat het onder de eigen verantwoordelijkheid kunnen verbinden van de onderneming tegenover derden, dat vereist is om de derde omschrijving van de lijst als vertrouwenspost te kunnen aanmerken, vereist dat de werknemer over een autonome bevoegdheid beschikt om verbintenissen van een zeker belang te kunnen aangaan voor de onderneming.

Enigszins merkwaardig is dat het Hof in een arrest van 29 maart 2010 in verband met het begrip vertrouwenspost en dus op het eerste gezicht met betrekking tot het geheel van de vertrouwensposten die voorkomen in de opsomming van het koninklijk besluit van 1965 (het arrest verwijst naar artikel 2 zonder meer) besliste dat een vertrouwenspost niet vereist “dat de betrokken functie een autonome beslissingsbevoegdheid inhoudt”. Die eis stellen zou neerkomen op een toevoeging van een voorwaarde aan de tekst (Cass. 29 maart 2010, S.09.0034.N). Een beslissingsbevoegdheid zal men overigens eerder in verband brengen met een leidende functie dan met een vertrouwenspost. Maar een uitzondering daarop vormt dan klaarblijkelijk, volgens het hier besproken arrest van 27 juni 2022, de vertrouwenspost van de derde omschrijving: “personen die onder hun eigen verantwoordelijkheid de onderneming tegenover derden kunnen verbinden” moeten toch wel over een zekere autonome beslissingsbevoegdheid beschikken.

Wat er niet staat

Voor het overige, stelt het Hof van Cassatie vast,

is het de bestreden beslissing van de rechter in beroep dat de werknemer geen leidende functie uitoefende (en niet zijn beslissing dat de werknemer geen vertrouwenspost bekleedde) die hij steunt op de afwezigheid van een autonome beslissingsbevoegdheid voor de werknemer,
en oordeelt de rechter in beroep dat de autonomie van de werknemer ingeperkt werd in een mate die verder gaat dan die welke inherent is aan de bevoegdheden die ondergeschikt verband meebrengen, zodat zijn functies hem niet bekleedden met een leidende functie of vertrouwenspost.
Hoe verleidelijk dat ook moge zijn, men mag daaruit niet besluiten dat het Hof van Cassatie daaromtrent zelf iets beslist. Het Hof stelt vast wat en op welke gronden de eerste rechter heeft beslist. Zelf oordeelt het daaromtrent enkel dat het arrest in die zin moet worden gelezen en dat wie het arrest anders interpreteert, zich vergist (een middel in die zin “mist feitelijke grondslag”).

3. Lezen met het Hof van Cassatie

Met z’n allen toch nog maar eens de bijdrage van de betreurde eerste voorzitter Robert Soetaert (her)lezen?

Cass. 27 juni 2022, S.20.0026.F

Bron: Bellaw/SoConsult