Die vlieger gaat niet op: Europees Hof van Justitie fluit Ryanair terug (Ambos NBGO)

Auteurs: Damien Stas de Richelle en Jorn Demey (Ambos NBGO)

Publicatiedatum: 19/09/2017

In haar arrest van 14 september 2017 heeft het Europees hof van Justitie zich uitgesproken over de aanduiding van de bevoegde rechter i.g.v. geschillen betreffende de arbeidsovereenkomst van leden van het cabinepersoneel van een luchtvaartmaatschappij.

Feiten

Ryanair, de in Ierland gevestigde low-cost luchtvaartmaatschappij, sluit met haar werknemers steevast Engelstalige arbeidsovereenkomsten met een jurisdictiebeding ten gunste van de Ierse rechters.

In de arbeidsovereenkomsten met de werknemers uit deze zaak werd bedongen dat de werkzaamheden van deze werknemers worden geacht te zijn verricht in Ierland, daar hun functies werden uitgeoefend aan boord van vliegtuigen die in Ierland waren geregistreerd. Diezelfde overeenkomsten wezen echter de luchthaven van Charleroi aan als “thuisbasis” van het cabinepersoneel. De werknemers begonnen en eindigden hun werkdag op die luchthaven en waren contractueel verplicht zich te vestigen op minder dan één uur van deze thuisbasis.

Zes werknemers zijn van oordeel dat de Ierse rechtsbepalingen die op hun arbeidsverhouding zijn toegepast, minder gunstig zijn dan de Belgische en wenden zich daartoe tot de Belgische arbeidsrechtbank (Charleroi). Ryanair acht enkel de Ierse rechter bevoegd om van deze geschillen kennis te nemen.

De principes

Ingeval van een geschil omtrent een arbeidsovereenkomst met een internationaal karakter bepaalt de Brussel I Verordening (ondertussen vervangen door de Brussel Ibis Verordening) welke rechtbank bevoegd is. Artikel 19 van de Verordening (nu: artikel 21) bepaalt dat de werknemer de werkgever kan dagvaarden:

  1. Voor de gerechten waar de Werkgever zijn woonplaats heeft; of
  2. In een andere lidstaat:

– Voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt;

– Wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.

De Verordening beperkt bovendien de mogelijkheid voor de partijen bij een arbeidsovereenkomst om een jurisdictiebeding overeen te komen. Zo moet een dergelijk beding overeengekomen zijn na het ontstaan van het geschil of, wanneer het daarvoor is gesloten, de werknemer de mogelijkheid bieden de zaak aanhangig te maken bij andere gerechten dan de gerechten die op grond van de Verordening bevoegd zijn.

Arbeidsrechtbank Charleroi

In 2013 verklaarde de arbeidsrechtbank zich onbevoegd om van de geschillen kennis te nemen. De werknemers gingen hiertegen in beroep, waardoor het arbeidshof de zaak opnieuw moest onderzoeken.

Arbeidshof Bergen

In de eerste plaats stelde het arbeidshof vast dat het jurisdictiebeding uit de arbeidsovereenkomst met het Ryanair cabinepersoneel, waarin de bevoegdheid aan de Ierse rechter wordt toegekend, de werknemers niet kan worden tegengeworpen nu het beding niet is gesloten na het ontstaan van het geschil, noch de werknemers de mogelijkheid biedt de zaak bij andere gerechten dan diegene aangeduid door de Verordening aanhangig te maken.

Aangezien het arbeidshof vervolgens oordeelt dat er, gelet op de bijzondere kenmerken van de luchtvaartsector, twijfel bestaat over de uitlegging die moet worden gegeven aan artikel 19, punt 2 van de Brussel I Verordening en in het bijzonder aan het begrip “plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt”, werd besloten een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie.

In het bijzonder stelt het arbeidshof zich de vraag of deze plaats kan worden gelijkgesteld met de “thuisbasis” van het cabinepersoneel, i.e. een begrip eigen aan de burgerluchtvaart dat overeenstemt met de plaats waar het lid van het cabinepersoneel zijn taak begint en beëindigt en waar de exploitant, in normale omstandigheden, niet verplicht is accommodatie te voorzien.

De uitspraak van het Hof

Voor de bepaling van het begrip “plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt”, verwijst het Hof naar zijn vaste rechtspraak dat dat begrip doelt op de plaats waar of van waaruit de werknemer het grootste deel van zijn verplichtingen tegenover zijn werkgever nakomt.

Om die plaats in concreto te bepalen, moet de nationale rechter een reeks aanwijzingen in aanmerking nemen. Specifiek voor de vervoerssector moet onder meer worden nagegaan in welke lidstaat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, naar welke plaats hij na zijn opdrachten terugkeert, op welke plaats hij instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, en op welke plaats zich de arbeidsinstrumenten bevinden.

Wat in het bijzonder de vraag betreft of het begrip “plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt” kan worden gelijkgesteld met het begrip “thuisbasis”, merkt het Hof op dat een op concrete aanwijzingen gebaseerde methode moet worden gevolgd en dat beide begrippen niet zomaar kunnen worden gelijkgesteld.

Het Hof voegt hier evenwel aan toe dat de thuisbasis een belangrijke aanwijzing vormt om de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt te bepalen.

Tot slot merkt het Hof ook op dat het begrip “plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt” evenmin kan worden gelijkgesteld met de nationaliteit van luchtvaartuigen.

Impact?

Hoewel het vaststellen van een gelijkenis tussen het begrip “plaats van gewoonlijke tewerkstelling” met het begrip “thuisbasis” een aanzienlijke juridische zekerheid met zich zou meebrengen, heeft het Hof zich uitgesproken tegen een absolute gelijkstelling van beide begrippen. Bijgevolg zal nog steeds geval per geval moeten worden nagegaan wat de plaats van gewoonlijke tewerkstelling is.

In het kader van deze beoordeling heeft het Hof wel verduidelijkt dat de thuisbasis van het cabinepersoneel een belangrijke aanwijzing vormt voor de aanwijzing van de plaats van tewerkstelling van deze personen.

Luchtvaartmaatschappijen zullen dit arrest allerminst toejuichen, zeker niet aangezien de plaats van gewoonlijke tewerkstelling niet alleen de bevoegde arbeidsrechtbank maar ook de (objectief) toepasselijke arbeidswetgeving bepaalt.